ECLI:NL:GHSHE:2026:142

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
24/1310
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.3 Wet IB 2001Art. 5.22 lid 3 Wet IB 2001Art. 4.16 lid 1 letter g Wet IB 2001Art. 4.40 Wet IB 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over aanmerkelijk belang bij aandelen met call-optie in geldlening

Belanghebbende verstrekte in 2011 via een geldlening aan een fonds een bedrag waarmee het fonds aandelen in een bedrijf verwierf. Tegelijk werd een call-optie op 20% van de vordering aan een derde verleend. In 2014 en 2018 werden aandelen verkocht, waarbij belanghebbende een deel van het economische belang behield.

De inspecteur legde belasting op het voordeel uit de verkoop aan als inkomen uit aanmerkelijk belang, terwijl belanghebbende dit betwistte en de aandelen in box 3 had aangegeven. De rechtbank gaf belanghebbende gelijk, maar het hof vernietigde deze uitspraak.

Het hof stelde vast dat belanghebbende, ondanks de optie, gerechtigd was tot alle voordelen van de aandelen en daarom als aandeelhouder moest worden aangemerkt. Hierdoor bleef het aanmerkelijk belang bestaan en was het voordeel uit de verkoop in 2018 belast als inkomen uit aanmerkelijk belang.

Het hoger beroep van de inspecteur werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Belanghebbende had een aanmerkelijk belang in de aandelen en het voordeel uit de verkoop in 2018 is belast als inkomen uit aanmerkelijk belang.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/1310
Uitspraak op het hoger beroep van
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 18 juli 2024, nummer BRE 23/2774, in het geding tussen de inspecteur en
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) 2018 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.
1.4.
De inspecteur heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Belanghebbende heeft nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.
1.6.
Het hof heeft bepaald dat de zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen schriftelijk meegedeeld dat het onderzoek is gesloten.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft op 11 oktober 2011 een overeenkomst van geldlening (hierna: de leningovereenkomst) gesloten waarbij hij, samen met anderen (hierna: de participanten), gelden ter leen heeft verstrekt aan [Fonds] BV (hierna: [Fonds] ). Van het totaal verstrekte bedrag van € 550.000 heeft belanghebbende € 150.000 verstrekt (hierna: de geldlening en tezamen met de door de andere participanten verstrekte bedragen: de geldleningen).
2.2.
Belanghebbende houdt één certificaat van een aandeel B in [Fonds] . Dit betreft een belang van (afgerond) 1,54%.
2.3.
[Fonds] heeft zich tegenover de participanten verplicht om met de geldleningen 89.346 Preferente Aandelen A2 (de aandelen) in het kapitaal van [bedrijf 2] BV (handelsnaam ook [bedrijf 2a] ) (hierna: [bedrijf 2a] ) te verkrijgen en daarover het beheer te voeren. Zij is over de geldlening een winstafhankelijke rentevergoeding verschuldigd, welke vergoeding rechtstreeks gekoppeld is aan de opbrengsten uit de aandelen in het kapitaal van [bedrijf 2a] . De looptijd van de geldlening is onbepaald. Bij vervreemding van de aandelen komt de opbrengst ten bate van de participanten en wordt de leningovereenkomst beëindigd. Indien de geldleningen op dat moment niet volledig kunnen worden terugbetaald, doen de participanten in zoverre afstand van hun vordering. Ten aanzien van de rentevergoeding op de geldlening is in de leningovereenkomst het volgende bepaald:

5. WINSTAFHANKELIJKE RENTEVERGOEDING
5.1
De rentevergoeding op de Geldlening heeft een winstdelend karakter en deelt in bepaalde bestanddelen van de winst van [Fonds] , zoals verder in dit Artikel bepaald.
5.2
De Geldlening is uitsluitend gekoppeld aan de Opbrengsten gerelateerd aan de Aandelen.
5.3
Elke op geld waardeerbare Opbrengst die voortkomt uit bezit van, of verkoop door [Fonds] van de Aandelen komt, met inachtneming van het bepaalde in Artikel 5.8 hierna, ten goede aan de Leninggevers.
5.4
Onder Opbrengsten worden bijvoorbeeld, maar niet uitsluitend verstaan: opbrengst uit verkoop van de Aandelen of een deel daarvan, dividendbetaling op de Aandelen, stockdividend of aandelenruil.
5.5
Indien Opbrengsten in geld worden betaald aan [Fonds] , zal [Fonds] zorg dragen voor overboeking van eenzelfde bedrag in geld aan de Leninggevers (...).
(...)”
2.4.
Met het sluiten van de leningovereenkomst hebben de participanten tevens een call-optie verleend aan [bedrijf 1] BV (hierna: [bedrijf 1] ). De leningovereenkomst vermeldt hierover het volgende:

6. OPTIEREGELING
6.1
Ieder van de Leninggevers verleent hierbij aan [bedrijf 1] , welke [bedrijf 1] aanvaardt, een ‘Call-Optie’ (de Optie) jegens de Leninggevers op 20% van de vordering die zij op enig moment houden voortvloeiend uit deze Overeenkomst.
6.2
De Optie kan op enig moment worden uitgeoefend door [bedrijf 1] , waarna [bedrijf 1] een bedrag van EUR 110.000 (het Optiebedrag) is verschuldigd aan de Leninggevers, te verdelen over de individuele Leninggevers naar rato van het bedrag van hun individuele Geldlening zoals bepaald in Artikel 2.2.
6.3
[bedrijf 1] oefent de Optie uit door schriftelijk de Leninggevers hiervan op de hoogte te stellen. Leninggevers aanvaarden de kennisgeving en verlenen hun medewerking aan de uitoefening.
6.4
Vanaf de verzenddatum van de kennisgeving is [bedrijf 1] gerechtigd tot 20% van de opbrengsten die Leninggevers uit hoofde van deze overeenkomst toekomen.”
2.5.
[Fonds] heeft in 2011 229.749 aandelen [bedrijf 2a] gekocht met een nominale waarde van € 0,10, waarvan 89.346 aandelen zijn gefinancierd met de geldleningen. De overige aandelen zijn gefinancierd met eigen vermogen en via een Seed-regeling van het Ministerie van Economische Zaken.
2.6.
In 2014 heeft [Fonds] 44.673 aandelen [bedrijf 2a] verkocht. De opbrengst werd aangewend voor aflossing en rentebetaling op de geldleningen. [bedrijf 1] heeft gebruik gemaakt van haar optie.
2.7.
Bij akte van statutenwijziging van 30 december 2014 zijn de aandelen van [bedrijf 2a] gesplitst in 10 aandelen met elk een nominale waarde van € 0,01, waardoor 2.297.490 aandelen zijn ontstaan. Na de splitsing bezit [Fonds] 80,55% van de aandelen, waarvan 19,44%, zijnde 446.730 aandelen, samenhangt met de leningovereenkomst.
2.8.
Op 1 augustus 2018 heeft [Fonds] het restant van de aandelen [bedrijf 2a] verkocht en op 1 oktober 2018 heeft zij de aandelen geleverd. De netto verkoopopbrengst heeft zij overgemaakt aan de participanten. Belanghebbende heeft een bedrag van € 907.565 gekregen. De optievergoeding werd betaald aan [Fonds] en is door [Fonds] verrekend bij uitkering van de netto verkoopopbrengst.
2.9.
Bij e-mail van 18 oktober 2018 zijn de participanten geïnformeerd over de hoogte van de winstuitkering. De e-mail vermeldt onder meer:
“In de bijlage is de distributie van de opbrengsten te vinden en jullie individuele opbrengst (ex de opbrengsten van de mogelijke vrijval van de escrow). Hiervoor is exact dezelfde spreadsheet gebruikt als in 2014.
Toelichting:
• (…)
• Op de lening rust een optie van de fonds managers op niveau oorspronkelijke inleg. Deze optie was voor de helft in 2014 al uitgeoefend. De betaling voor de tweede helft is ontvangen door het Fonds en wordt verrekend met de opbrengsten voor de leningverstrekkers.”
2.10.
Belanghebbende heeft een aangifte IB/PVV over het jaar 2018 ingediend naar een verzamelinkomen van € 94.259, bestaande uit € 135.043 aan inkomen uit werk en woning, € 81.452 (negatief) aan inkomen uit aanmerkelijk belang en € 40.668 aan inkomen uit sparen en beleggen. Belanghebbende heeft de waarde van zijn participatie in [bedrijf 2a] van € 907.565 als bezitting in box 3 aangegeven.
2.11.
De inspecteur heeft de aanslag in afwijking van de aangifte vastgesteld naar een verzamelinkomen van € 923.581, bestaande uit € 135.043 aan belastbaar inkomen uit werk en woning, € 751.113 aan belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang en € 37.425 aan belastbaar inkomen uit sparen en beleggen. De inspecteur heeft daarbij de participatie in [bedrijf 2a] van € 907.565 niet als bezitting in box 3 meegenomen maar in plaats daarvan een vervreemdingsvoordeel in box 2 in aanmerking genomen van € 832.565, gebaseerd op een overdrachtsprijs van € 907.565 en een verkrijgingsprijs van € 75.000. Het inkomen uit aanmerkelijk belang is - op verzoek van belanghebbende - volledig aan belanghebbende toegerekend.
2.12.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en de aanslag verminderd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 135.043, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van negatief € 81.452 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 37.425. De belastingrentebeschikking is overeenkomstig verminderd. Tevens heeft de rechtbank het verlies uit aanmerkelijk belang vastgesteld op € 81.452. De rechtbank heeft verder bepaald dat de inspecteur het griffierecht van € 50 aan belanghebbende moet vergoeden en de inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 2.374.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of belanghebbende een aanmerkelijk belang had in [bedrijf 2a] en in het onderhavige jaar inkomen uit aanmerkelijk belang heeft genoten.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. De inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en tot het ongegrond verklaren van het bij de rechtbank ingestelde beroep.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
4.1.
Belanghebbende verkrijgt in 2011 via de geldlening aan [Fonds] een economisch belang bij de aandelen in [bedrijf 2a] , zonder rekening te houden met de optieverlening, van 150/550 x 89.346/229.749 x 100% = 10,605%. Op 20% van dit belang rust - eveneens via de leningovereenkomst - een optie ten gunste van [bedrijf 1] . Na de eerste verkoop door [Fonds] van 44.673 aandelen in [bedrijf 2a] in 2014, heeft belanghebbende nog een belang, zonder rekening te houden met de optieverlening, van 150/550 x 44.673/229.749 x 100% = 5,3%. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende voor in ieder geval 4,24% het volledige economische belang bij de aandelen houdt. In zoverre dient belanghebbende in ieder geval te worden aangemerkt als direct aandeelhouder van de aandelen in [bedrijf 2a] . [1]
4.2.
Belanghebbende verdedigt het standpunt dat door de optieverlening op 20% van de vordering, hij in 2011 slechts een (economisch) belang verkreeg van 8,48% en na de vervreemding van een deel van de aandelen in 2014 nog slechts een belang van 4,24% heeft. In de visie van belanghebbende had hij ten aanzien van de 20% waarop een optie rust, niet het volledige economische belang bij deze aandelen.
Een belang van 4,24% vormt geen aanmerkelijk belang meer, aldus belanghebbende. In 2014 had voor dat deel aanmerkelijkbelangheffing moeten plaatsvinden, tenzij zou zijn verzocht om doorschuiving. [2] Een dergelijk verzoek is echter niet gedaan. Dat betekent in de visie van belanghebbende dat in 2018 geen inkomen uit aanmerkelijk belang is genoten en dat hij de aandelen [bedrijf 2a] terecht tot het vermogen van box 3 heeft gerekend.
4.3.
De inspecteur verdedigt het standpunt dat belanghebbende tot het moment van het uitoefenen van de koopoptie het volledige economische belang bij de aandelen [bedrijf 2a] heeft. Van een vervreemding is pas sprake op het moment dat de optie wordt uitgeoefend. Bovendien beroept de inspecteur zich op het arrest van de Hoge Raad van 22 juni 1960, ECLI:NL:HR:1960:AY1334, BNB 1960/266, waarin is geoordeeld dat voor de vraag of de belastingplichtige op het tijdstip van vervreemding een aanmerkelijk belang heeft, gekeken dient te worden naar het tijdstip van optieverlening. Subsidiair is de inspecteur van mening dat belanghebbende een zodanig economisch belang bij de aandelen heeft, dat sprake is van een aanmerkelijk belang.
4.4.
Partijen voeren in de door hen aangedragen stukken een debat over de vraag of de rechtspraak ten aanzien van optieverlening ook geldt indien de optie (de facto) wordt gevestigd op de economische eigendom van aandelen en niet op de juridische eigendom. In dat kader verschillen partijen van mening over het antwoord op de vraag of slechts de volledige economische eigendom leidt tot aandeelhouderschap voor de aanmerkelijkbelangregeling of dat gedeeltelijke economische eigendom al voldoende is.
Het hof laat de beantwoording van deze vraag in het midden. Op grond van de stukken van het geding stelt het hof namelijk vast dat belanghebbende tot de uitoefening van het optierecht gerechtigd is tot alle voordelen die worden behaald met (de economische eigendom van) de aandelen (zie artikel 5.3 e.v. van de in 2.3 vermelde leningovereenkomst). Dit betekent dat belanghebbende een genotsrecht op de aandelen heeft als bedoeld in artikel 4.3 Wet IB 2001 in verbinding met artikel 5.22, lid 3, Wet IB 2001. Op grond van artikel 4.3 Wet IB 2001 wordt met een aandeelhouder gelijkgesteld degene die slechts gerechtigd is tot voordelen uit aandelen en wordt zijn gerechtigdheid aangemerkt als aandeel. Belanghebbende is dus ook voor wat betreft zijn belang in [bedrijf 2a] waarop via de leningovereenkomst een optierecht rust direct aandeelhouder van de aandelen in [bedrijf 2a] . Dit betekent dat belanghebbende direct aandeelhouder was van 10,605% van de aandelen in [bedrijf 2a] en dat vanaf de vervreemding van aandelen [bedrijf 2a] in 2014 zijn belang is gedaald tot 5,3%. Belanghebbende had sindsdien dus nog steeds een aanmerkelijk belang in [bedrijf 2a] . De vervreemding van de aandelen in 2018 leidde er voor belanghebbende daarom toe dat hij in dat jaar inkomen uit aanmerkelijk belang heeft genoten. Belanghebbende heeft de door de inspecteur bij de aanslag vastgestelde hoogte van dit inkomen uit aanmerkelijk belang van € 832.565 niet betwist.
Tussenconclusie
4.5.
De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.
Ten aanzien van de proceskosten
4.6.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene Pro wet bestuursrecht.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank;
  • verklaart het beroep bij de rechtbank ongegrond.
De uitspraak is gedaan door T.A. Gladpootjes, voorzitter, M.E. Smorenburg en C.W.M.M. Verkoijen, in tegenwoordigheid van N.A. de Grave, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
N.A. de Grave T.A. Gladpootjes
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Vergelijk Hoge Raad 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:972, r.o. 3.2.
2.Artikel 4.16, lid 1, letter g, Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) in samenhang met artikel 4.40 Wet IB 2001.