ECLI:NL:GHSHE:2026:141

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
24/364
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7.8 Wet IB 2001Art. 21bis UBIB 2001Art. 8.9 Wet IB 2001Art. 8.17 Wet IB 2001Art. 8.8 Wet IB 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling recht op heffingskorting voor kwalificerende buitenlandse belastingplichtige met AOW-uitkering in Duitsland

Belanghebbende, woonachtig in Duitsland en gerechtigd tot een AOW-uitkering, maakte aanspraak op heffingskorting als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige. De inspecteur weigerde dit omdat de AOW-uitkering in Duitsland werd belast, waardoor niet aan de voorwaarden voor kwalificerende buitenlandse belastingplichtigheid werd voldaan.

Na bezwaar en beroep bij de rechtbank, die de aanslag bevestigde, stelde belanghebbende hoger beroep in bij het gerechtshof. Het hof oordeelde dat de Duitse overgangsregeling niet leidt tot vrijstelling van belastingheffing wegens geringe hoogte van het inkomen, zoals vereist volgens de Nederlandse wetgeving. Hierdoor kon belanghebbende niet als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige worden aangemerkt.

Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat de algemene fiscale informatie van de Belastingdienst niet leidde tot een gerechtvaardigd vertrouwen dat recht bestond op heffingskorting. Ook het beroep op EU-recht, waaronder de Schumacker-rechtspraak, werd verworpen omdat belanghebbende ook als ingezetene in vergelijkbare omstandigheden geen recht zou hebben op heffingskorting.

De belastingrentebeschikking werd gehandhaafd omdat de inspecteur niet gebonden was aan de fiscale informatie. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van heffingskorting bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/364
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [plaats 1] (Duitsland),
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 21 februari 2024, nummer BRE 22/6096, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft een aanslag inkomstenbelasting (hierna: IB) 2019 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de opgelegde aanslag en de belastingrentebeschikking. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.
1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen, [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
1.7.
Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de inspecteur.
1.8.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende, geboren op [geboortedatum] 1952, heeft de Nederlandse nationaliteit en woont in 2019 in Duitsland samen met haar partner met wie zij is gehuwd. De partner ontving in 2019 een WIA-uitkering van het UWV van € 30.811 en is aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige.
2.2.
Belanghebbende is per 2018 gerechtigd tot een AOW-uitkering. Zij ontving in 2019 een AOW-uitkering van € 10.683. Dit is tevens haar wereldinkomen. Uit het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, Berlijn, 12-04-2012, tekst 2019 (hierna: het Verdrag) [1] volgt dat Duitsland over de AOW-uitkering belasting mag heffen.
2.3.
De Belastingdienst heeft op www.belastingdienst.nl een toelichting op de aangifte voor het jaar 2019 gepubliceerd onder de naam ‘Fiscale informatie 2019’. In paragraaf 33.2.1, genaamd ‘Voorwaarden kwalificerende buitenlandse belastingplicht’ staat onder meer:
“U bent kwalificerend buitenlands belastingplichtige als u voldoet aan de volgende voorwaarden:

U woont in een EU-land, in Liechtenstein, Noorwegen, IJsland, Zwitserland of op Bonaire, Sint Eustatius of Saba.

U betaalt over minimaal 90% van uw wereldinkomen loon- of inkomstenbelasting in Nederland.Uw wereldinkomen is uw totale inkomen, dus zowel uit Nederland als uit andere landen.

U stuurt ons een inkomensverklaring van de belastingdienst van uw woonland.”
In paragraaf 33.2.1.2, genaamd ‘In Nederland belasting betalen over 90% van uw wereldinkomen’, staat onder meer:
“Voldoet u niet aan de 90%-eis, maar wel aan de overige voorwaarden? Dan bent u toch kwalificerend buitenlands belastingplichtige als u een pensioen, lijfrente of een soortgelijke uitkering ontvangt en geen inkomstenbelasting in uw woonland betaalt.”
2.4.
Op 29 april 2020 heeft belanghebbende een eerste aangifte IB 2019
gedaan. Met dagtekening 12 juni 2020 is aan belanghebbende een voorlopige aanslag (teruggave) opgelegd, waarop een bedrag van € 1.268 aan heffingskorting werd uitbetaald. Het verzamelinkomen is daarbij vastgesteld op nihil en belanghebbende is aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige.
2.5.
Belanghebbende heeft aan de inspecteur een inkomensverklaring van de Duitse belastingautoriteit (het Finanzamt [plaats 2] ) verstrekt waarin onder ‘
Einkünfte, die nicht in den Niederlanden besteuert werden’een inkomen (‘
Renten und Sozialleistungen’) van € 10.683 is vermeld. Over dit inkomen heeft belanghebbende in Duitsland geen inkomstenbelasting betaald. Deze inkomensverklaring is door de Duitse belastingautoriteit op 11 mei 2020 afgegeven en is op 22 juni 2020 ontvangen door de inspecteur.
2.6.
Op 2 februari 2021 heeft belanghebbende een (tweede) aangifte IB 2019 ingediend naar een verzamelinkomen van nihil. De AOW-uitkering van € 10.683 heeft belanghebbende aangemerkt als niet in Nederland belastbaar inkomen. Belanghebbende heeft aangegeven dat zij voldoet aan de voorwaarden om als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige te worden aangemerkt. Bij de vraag
‘Moest u inkomstenbelasting betalen in Duitsland?’heeft belanghebbende
‘Nee’aangekruist en bij de vervolgvraag ‘
Betaalde u geen belasting omdat u een laag inkomen had?’ heeft belanghebbende ‘
Ja’ aangekruist. Daarnaast heeft belanghebbende aangegeven dat zij voldoet aan de voorwaarden voor uitbetaling van de heffingskorting(en) en dat de bijzondere verhoging heffingskortingen van toepassing is.
2.7.
Met dagtekening 19 februari 2021 is aan belanghebbende een tweede voorlopige aanslag (teruggave) opgelegd, waarop een bedrag van € 1.249 aan heffingskorting is uitbetaald. Het verzamelinkomen is vastgesteld op nihil en belanghebbende is aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige.
2.8.
De inspecteur heeft belanghebbende op 10 februari 2022 een brief gestuurd waarin hij aangeeft naar aanleiding van de inkomensverklaring van plan te zijn af te wijken van de tweede aangifte. Omdat de AOW-uitkering op basis van het Verdrag in Duitsland is belast en niet in Nederland, voldoet belanghebbende volgens de inspecteur niet aan de voorwaarden voor toepassing van de kwalificerend buitenlandse belastingplicht en heeft belanghebbende geen recht op uitbetaling van de heffingskortingen.
2.9.
Met dagtekening 18 maart 2022 heeft de inspecteur een aanslag IB 2019 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 0. Er zijn geen heffingskortingen aan belanghebbende toegekend. De aanslag concludeert tot het terugbetalen van de in de tweede voorlopige aanslag verleende teruggaaf van € 1.249 en in dat kader is tevens € 78 belastingrente in rekening gebracht (hierna: de belastingrentebeschikking).

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of belanghebbende recht heeft op uitbetaling van de heffingskorting, waarbij het geschil zich toespitst op de volgende deelvragen:
 Kan belanghebbende als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige worden aangemerkt;
 Zo nee, heeft de inspecteur uitlatingen gedaan, waarop belanghebbende gerechtvaardigd het vertrouwen kon ontlenen dat zij als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige zou worden aangemerkt;
 Zo nee, heeft belanghebbende recht op uitbetaling van de heffingskorting op grond van het EU recht; en
 Moet de belastingrentebeschikking worden vernietigd.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en uitbetaling van de heffingskorting voor een bedrag van € 961 (primair standpunt), danwel € 609 (subsidiair standpunt). Met betrekking tot de belastingrentebeschikking concludeert belanghebbende op grond van haar primaire standpunt tot vernietiging en met haar subsidiaire standpunt tot vermindering met het bedrag aan berekende belastingrente dat betrekking heeft op het bedrag van de voorlopige aanslag dat hoger is dan € 609. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
i. Kwalificerende buitenlandse belastingplichtige
4.1.1.
Belanghebbende stelt dat zij op grond van de in artikel 7.8, lid 8, Wet IB 2001 en artikel 21bis, lid 1, Uitvoeringsbesluit IB 2001 (hierna: UBIB 2001) opgenomen uitbreiding als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige aangemerkt moet worden, omdat zij wegens de geringe hoogte van haar inkomen in Duitsland geen inkomstenbelasting is verschuldigd. Daarbij is volgens belanghebbende van belang dat Duitsland haar inkomen voor een bedrag van € 2.564 buiten de belastingheffing heeft gelaten op grond van § 22 van de Duitse Einkommensteuergesetz (hierna: EStG). Het resterende inkomen (€ 8.119) is wel in aanmerking genomen en dat valt onder de in Duitsland geldende belastingvrije som (€ 9.168). Daarmee is het enige inkomen dat in Duitsland volgens de wet in aanmerking wordt genomen niet belast wegens de geringe hoogte daarvan.
4.1.2.
De inspecteur betwist de stellingen van belanghebbende en betoogt dat belanghebbende niet als kwalificerend buitenlandse belastingplichtige aangemerkt kan worden.
4.1.3.
Voor de Duitse belastingheffing is als gevolg van een overgangsregeling in § 22, eerste tabel, onder aa, EStG slechts een deel van de AOW-uitkering van belanghebbende onderworpen aan belasting, zijnde 76%. Dit percentage is gekoppeld aan het jaar van ingang van de pensioenuitkeringen, in dit geval 2018. Dit betekent dat op grond van deze overgangsregeling € 2.564 van het inkomen van belanghebbende dat zij in 2019 heeft genoten, niet in Duitsland wordt belast. Daarnaast gold op grond van § 32a, lid 1, onder 1, EStG in Duitsland voor het jaar 2019 een tarief van 0 voor het inkomen tot € 9.168 (de belastingvrije som).
4.1.4.
Artikel 7.8, lid 6, Wet IB 2001 bepaalt wie als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige kan worden aangemerkt. Indien deze bepaling geen toepassing kan vinden, kan een belastingplichtige op grond van de uitbreiding van artikel 7.8, lid 8, Wet IB 2001 en artikel 21bis, lid 1, UBIB 2001 alsnog als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige aangemerkt worden. De daarbij geldende voorwaarden zijn:
de buitenlandse belastingplichtige geniet pensioen, lijfrente of een soortgelijke uitkering;
de buitenlandse belastingplichtige moet inwoner zijn van een kwalificerende woonstaat en moet een inkomensverklaring verstrekken; en
de buitenlandse belastingplichtige moet aannemelijk maken dat wegens de geringe hoogte van het inkomen in het woonland geen inkomstenbelasting is verschuldigd.
Niet in geschil is dat wordt voldaan aan de voorwaarden genoemd onder a. en b., waarmee het geschilpunt zich beperkt tot de vraag of ook aan voorwaarde c. is voldaan.
4.1.5.
Uit artikel 21bis, lid 1, letter c, UBIB 2001 volgt dat de geringe hoogte van het inkomen de reden moet zijn van het niet verschuldigd zijn van inkomstenbelasting in het woonland. De stellingen van belanghebbende behelzen dat het inkomen in twee delen uiteenvalt op grond van de Duitse wetgeving en dat alleen het deel dat in Duitsland in de heffing wordt betrokken mag worden meegenomen voor de beoordeling of wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 21bis, lid 1, UBIB 2001. Het hof verwerpt deze stellingen. De toekenning van de heffingskorting volgt uit de Nederlandse wet- en regelgeving en kan niet eenzijdig worden beïnvloed of bepaald door buitenlandse wetgeving. De Nederlandse wet- en regelgeving stelt de voorwaarde dat het inkomen - en daarmee dus het gehele inkomen – in het woonland niet aan belastingheffing wordt onderworpen wegens de geringe hoogte daarvan [2] . Aan deze voorwaarde wordt in het geval van belanghebbende niet voldaan. Naar het oordeel van het hof heeft § 22, eerste tabel onder aa, EStG namelijk niet het doel om een bepaald minimuminkomen buiten de belastingheffing te laten. De regeling vormt een overgangsregeling die moet voorkomen dat pensioenuitkeringen volledig worden belast terwijl de opbouw van die pensioenen in het verleden in Duitsland niet fiscaal gefaciliteerd is geweest. Slechts de regeling van de belastingvrije som heeft het doel om een bepaald minimuminkomen buiten de belastingheffing te laten. [3] Aangezien het gehele inkomen van belanghebbende (€ 10.683) hoger is dan de belastingvrije som (€ 9.168), zou belanghebbende zonder de genoemde regeling inkomstenbelasting in Duitsland zijn verschuldigd. De stelling van belanghebbende dat zij op grond van artikel 21bis, lid 1, UBIB 2001 als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige moet worden aangemerkt, faalt daarmee reeds op deze grond.
4.1.6.
Het vorenstaande leidt tot de tussenconclusie dat belanghebbende niet aan de voorwaarden voldoet van artikel 21bis, lid 1 UBIB 2001 en dus niet aangemerkt kan worden als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige. Daarmee komt het hof niet toe aan beantwoording van de vraag of belanghebbende naar nationaal recht heeft op uitbetaling van de heffingskorting.
ii. Het vertrouwensbeginsel
4.2.1.
Belanghebbende stelt dat de hiervoor in 2.3 weergegeven teksten van de ‘Fiscale informatie 2019’ het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat belanghebbende als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige zou worden aangemerkt, wat door de inspecteur wordt betwist.
4.2.2.
Het hof stelt voorop dat de toelichting in de ‘Fiscale informatie 2019’ op de website van de Belastingdienst het karakter van een algemene inlichting heeft. De Hoge Raad heeft ten aanzien van het vertrouwensbeginsel in het kader van algemene inlichtingen geoordeeld dat het belang dat de fiscus zijn voorlichtende taak onbelemmerd kan vervullen ertoe noopt te aanvaarden dat het risico van een onjuiste inlichting in de regel voor rekening van de betrokken belastingplichtige blijft. [4] Voor een uitzondering op die regel ziet de Hoge Raad alleen aanleiding indien aan twee voorwaarden is voldaan.
 De inlichtingen mogen niet zo duidelijk in strijd zijn met een juiste wetstoepassing dat de betrokken belastingplichtige redelijkerwijs hun onjuistheid had kunnen en moeten beseffen; en
 De belastingplichtige moet, afgaande op die onjuiste inlichtingen, een handeling hebben verricht of nagelaten ten gevolge waarvan een hoger bedrag van hem wordt geheven dan hij op basis van die informatie meende als gevolg van die handeling of dat nalaten te moeten betalen. [5]
4.2.3.
Het hof volgt belanghebbende erin dat de bedoelde toelichting in de ‘Fiscale informatie 2019’ bij haar de indruk heeft kunnen wekken dat de reden van het niet hoeven betalen van belasting in het woonland irrelevant zou zijn voor de kwalificatie als kwalificerende buitenlands belastingplichtige. Gesteld noch gebleken is echter dat belanghebbende op basis van de ‘Fiscale informatie 2019’ een handeling heeft verricht of nagelaten die tot een andere fiscale uitkomst heeft geleid dan zij uit genoemde ‘Fiscale informatie 2019’ meende af te leiden. Nog afgezien van de vraag of de inspecteur met de door belanghebbende genoemde toelichting in de ‘Fiscale informatie 2019’ met betrekking tot het kwalificeren als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige het vertrouwen heeft gewekt dat recht bestond op uitbetaling van de heffingskorting, kan de inspecteur in dit geval dus niet worden gebonden aan de uitlatingen in de ‘Fiscale informatie 2019’ zoals belanghebbende voorstaat. Dit leidt tot de tussenconclusie dat het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt.
iii. EU recht
4.3.1.
Belanghebbende stelt verder dat het niet toekennen en niet uitbetalen van de heffingskorting strijdig is met het Unierecht, omdat Nederlandse ingezetenen met een zelfde AOW-uitkering daar wel recht op hebben. De heffingskorting moet daarom alsnog toegekend en uitbetaald worden. De inspecteur betwist dat het Unierecht daartoe noopt.
4.3.2.
De wetgever heeft het uitbetalen van de heffingskorting ingevoerd voor niet of weinig verdienende partners, maar alleen voor zover hun partner voldoende inkomstenbelasting verschuldigd is. [6] De toekenning en uitbetaling van de heffingskorting is daarmee te zien als een vermindering van de totaal door de fiscale partners verschuldigde inkomstenbelasting en is daarmee aan te merken als een voordeel waarop aanspraak ontstaat wanneer met de persoonlijke en gezinssituatie rekening wordt gehouden.
4.3.3.
Uit de zogenoemde Schumacker-rechtspraak volgt dat een lidstaat bepaalde (niet direct met een inkomensbron van die lidstaat samenhangende) belastingvoordelen met betrekking tot de persoonlijke en gezinssituatie in beginsel wel aan haar ingezetenen mag verlenen zonder dat deze belastingvoordelen ook aan de niet-ingezetenen ter beschikking staan. Dat onderscheid is in de regel niet discriminerend. Dit is evenwel anders in een geval waarin de niet-ingezetene geen inkomsten van betekenis geniet in de woonstaat en het grootste deel van zijn belastbaar inkomen verwerft in de andere lidstaat, met als gevolg dat de woonstaat hem niet de voordelen kan toekennen die voortvloeien uit het in aanmerking nemen van zijn persoonlijke en gezinssituatie. [7] In een dergelijk geval wordt namelijk nergens met de persoonlijke en gezinssituatie rekening gehouden. Bij de beoordeling van de relevante inkomsten in de betreffende lidstaten gaat het om het belastbare gezinsinkomen.
4.3.4.
Op 18 mei 2022 heeft het hof uitspraak gedaan in drie zaken waarin Schumacker-problematiek aan de orde was. [8] In de bij die uitspraken gevoegde bijlage heeft het hof een uitgebreide zienswijze gegeven ten aanzien van de reikwijdte van de zogenoemde Schumacker-rechtspraak van het HvJ-EU.
4.3.5.
In onderdeel 29 van de genoemde bijlage is een stappenplan opgenomen, bestaande uit vier stappen. Uit proceseconomische overwegingen zal het hof bij de afdoening van de onderhavige zaak stap vier als eerste uitwerken.
Stap vier luidt:
“De door de werklidstaat te verlenen tegemoetkoming wordt begrensd door de belastingheffing die een ingezetene in de werklidstaat verschuldigd zou zijn in overigens vergelijkbare omstandigheden als de niet-ingezetene.”
De verschuldigde belasting kan zowel positief (te betalen) als negatief zijn (te ontvangen), waarmee de toekenning en uitbetaling van de heffingskorting dus kan worden gezien als negatief verschuldigde belasting.
4.3.6.
De inkomensheffing van een ingezetene van Nederland, die in overigens vergelijkbare omstandigheden als belanghebbende verkeert, verloopt als volgt:
Inkomen: € 10.683
Inkomensheffing [9] € 961
Inkomstenbelastingdeel algemene heffingskorting [10] € 609
Inkomstenbelastingdeel ouderenkorting [11] € 392
Totaal heffingskorting € 1.001
Maximum gecombineerde heffingskorting [12] € 961
Verschuldigde inkomensheffing € 0
4.3.7.
De gecombineerde heffingskorting kan onder voorwaarden worden verhoogd. De voorwaarden voor de verhoging van de gecombineerde heffingskorting bij de minstverdienende partner zijn opgenomen in artikel 8.9 Wet IB 2001:
“1. Indien de gecombineerde heffingskorting door artikel 8.8 wordt beperkt tot een bedrag beneden het niveau van 26 2/3% van het totaal van de voor de belastingplichtige geldende algemene heffingskorting, arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting (toetsniveau) wordt, indien de belastingplichtige in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden dezelfde partner heeft, de gecombineerde heffingskorting daarna verhoogd tot het toetsniveau. De verhoging bedraagt echter maximaal het bedrag van de door de partner verschuldigde gecombineerde inkomensheffing verminderd met zijn gecombineerde heffingskorting.
2. Ten aanzien van de belastingplichtige die geboren is vóór 1 januari 1963 wordt voor de bepaling van het toetsniveau de algemene heffingskorting voor 100% in aanmerking genomen.
3. De verhoging van de gecombineerde heffingskorting wordt verlaagd met het bedrag van de belastingvermindering volgens de regels ter voorkoming van dubbele belasting.
(tekst 2019)”
4.3.8.
Gelet op de leeftijd van belanghebbende wordt het toetsniveau vastgesteld op 100% van de algemene heffingskorting, zijnde € 609. De gecombineerde heffingskorting is bij belanghebbende niet beperkt tot een bedrag dat lager is dan dit toetsniveau, maar is zelfs hoger (€ 961). Met andere woorden, waar de wet in dit artikel toetst of belanghebbende op grond van de berekende inkomstenbelasting volledig gebruik heeft kunnen maken van een bedrag aan gecombineerde heffingskorting dat tenminste gelijk is aan het toetsniveau, is daar in dit geval aan voldaan. Belanghebbende zou dus ook als ingezetene, die in overigens dezelfde omstandigheden verkeert, niet in aanmerking komen voor de verhoging van de maximale heffingskorting. [13] De bijzondere verhoging van de heffingskorting kan gelet op het bepaalde in artikel 8.9a, lid 1, Wet IB 2001 dan evenmin worden toegepast.
4.3.9.
Het vorenstaande leidt het hof tot de tussenconclusie dat belanghebbende ook als ingezetene, die in overigens dezelfde omstandigheden verkeert, geen recht zou hebben op uitbetaling van de heffingskorting omdat die op basis van stap vier wordt begrenst tot nihil, waarmee de stelling van belanghebbende faalt.
iv. De belastingrente
4.4.1.
Belanghebbende betoogt dat de heffing van belastingrente is veroorzaakt door de onzorgvuldige voorlichting door de inspecteur met de door hem gepubliceerde ‘Fiscale informatie 2019’. Belanghebbende stelt dat zij bij een juiste voorlichting een juiste aangifte zou hebben gedaan, waardoor geen belastingrente zou zijn verschuldigd.
4.4.2.
Zoals in hiervoor in 4.2 is overwogen, kan de inspecteur in dit geval niet worden gebonden aan de uitlatingen in de Fiscale informatie 2019 zoals belanghebbende voorstaat. Het hof is van oordeel dat dit gevolg dan ook heeft te gelden voor de daaruit voortvloeiende belastingrente.
Tussenconclusie
4.5.
Het hoger beroep is ongegrond.
Ten aanzien van het griffierecht
4.6.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.7.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene Pro wet bestuursrecht.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door E.P.A. Brakeboer, voorzitter, M.E. Smorenburg en W.W. Monteiro, in tegenwoordigheid van A.S. van Middelkoop, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
A.S. van Middelkoop E.P.A. Brakeboer
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Artikel 17, lid 1, Verdrag.
2.Vgl. de artikelsgewijze toelichting in het Besluit van 17 december 2014, Stb. 2014, 579, p. 19, waarin ten aanzien van het in aanmerking te nemen inkomen het volgende is opgemerkt:
3.Vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 19 november 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3296, onderdeel 4, onder I. Kwalificerende buitenlandse belastingplichtige (nationaal recht).
4.Hoge Raad 26 september 1979, ECLI:NL:HR:1979:AM4918.
5.Hoge Raad 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1654.
6.MvT, Kamerstukken II 2007/08, 31 205, nr. 3, p. 24.
7.HvJ EU 9 februari 2017, X, ECLI:EU:C:2017:102, punt 33.
9.Het tarief voor de inkomstenbelasting in de eerste schijf van box 1 voor het jaar 2019 is 9%. € 10.683 x 9% = € 961
10.Het gecombineerde tarief voor inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen voor het jaar 2019 is 36,65%. De algemene heffingskorting voor het jaar 2019 is € 2.477. Het aan de inkomstenbelasting toe te rekenen deel van de heffingskorting is aldus (9% / 36,65%) * € 2.477 = € 609.
11.De ouderenkorting voor het jaar 2019 is op grond van artikel 8.17 Wet IB 2001 voor het inkomen van belanghebbende € 1.596. Het inkomstenbelastingdeel daarvan is (9% / 36,65%) * € 1.596 = € 392.
12.Artikel 8.8 Wet IB 2001.
13.Vgl. Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 19 november 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3298.