ECLI:NL:GHSHE:2026:133

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
20-002217-24
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake verkeersongeval met dodelijke afloop en roekeloosheid

Op 21 januari 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch uitspraak gedaan in een hoger beroep tegen een vonnis van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant. De zaak betreft een verkeersongeval dat plaatsvond op 11 december 2022, waarbij de verdachte, onder invloed van alcohol, met een snelheid van 146 kilometer per uur een verkeerspaal raakte, wat resulteerde in de dood van zijn bijrijder. De verdachte was eerder vrijgesproken van roekeloosheid, maar het Openbaar Ministerie stelde dat de verdachte roekeloos had gehandeld door meerdere verkeersregels te overtreden. Het hof oordeelde dat, hoewel de verdachte zeer onoplettend en onvoorzichtig was, niet wettig en overtuigend kon worden bewezen dat hij roekeloos had gehandeld. De verdachte werd wel verantwoordelijk gehouden voor het ongeval en kreeg een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden, een taakstraf van 240 uren en een rijontzegging van 18 maanden opgelegd. Het hof bevestigde het vonnis van de rechtbank met enkele verbeteringen en aanvullingen op de gronden.

Uitspraak

Parketnummer : 20-002217-24
Uitspraak : 21 januari 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 8 augustus 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-327447-22 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de aan de verdachte onder 1 primair en 2 tenlastegelegde feiten bewezenverklaard en die feiten als volgt gekwalificeerd:
  • feit 1 primair: ‘overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl degene die schuldig is aan dit feit, verkeerde in de toestand bedoeld in artikel 8, tweede lid van deze wet’;
  • feit 2: ‘overtreding van artikel 8, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994’.
De verdachte is partieel vrijgesproken van de onder 1 primair tenlastegelegde roekeloosheid.
Aan de verdachte is een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar alsmede een taakstraf van 240 uren opgelegd, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 dagen hechtenis. Daarnaast is aan de verdachte opgelegd een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 maanden, waarbij de tijd die de verdachte zijn rijbewijs al heeft ingeleverd in mindering wordt gebracht.
De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de aan de verdachte onder 1 primair en 2 tenlastegelegde feiten met inbegrip van de onder 1 primair tenlastegelegde roekeloosheid zal bewezenverklaren en aan de verdachte zal opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren alsmede een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 maanden, waarbij de tijd die de verdachte zijn rijbewijs al heeft ingeleverd in mindering wordt gebracht.
De raadsman van de verdachte heeft partiële vrijspraak bepleit van de onder 1 primair tenlastegelegde roekeloosheid. Ten aanzien van bewijsbeslissing voor het overige heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Voorts heeft de raadsman het hof verzocht om, ook in het geval het roekeloosheid bewezen acht, ten aanzien van de aan de verdachte op te leggen hoofdstraf te beslissen conform het vonnis waarvan beroep en om bij de (eventueel) op te leggen rijontzegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en met het feit dat hij inmiddels alweer anderhalf jaar bevoegd is om motorrijtuigen te besturen.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep met verbetering en aanvulling van de gronden.
In hetgeen door de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd, zoals hierna ten aanzien van het bewijs in hoofdlijnen is uitgewerkt, ziet het hof geen reden om tot andere beslissingen te komen dan de rechtbank. Wel geeft dit het hof aanleiding de bewijsoverwegingen te verbeteren en aan te vullen.
Verbetering en aanvulling van de bewijsoverwegingen
Het hof verbetert en vult aan de bewijsoverwegingen van de rechtbank ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde feit, zoals opgenomen in het vonnis waarvan beroep onder ‘4 De beoordeling van het bewijs’. Omwille van de leesbaarheid vervangt het hof de overwegingen van de rechtbank die zien op dit feit en als weergegeven in het vonnis onder 4.1, 4.2 en 4.3.2 integraal door de volgende overwegingen.
4.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, aan de vier vereisten voor vaststelling van roekeloosheid in de zin van artikel 175, tweede lid, in samenhang met artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) is voldaan, zodat het aan de verdachte onder 1 primair tenlastegelegde feit met inbegrip van roekeloosheid wettig en overtuigend bewezen kan worden. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van roekeloosheid in de zin van artikel 175, tweede lid, in samenhang met artikel 6 WVW 1994 zoekt de advocaat-generaal aansluiting bij artikel 5a WVW 1994, stellende dat van roekeloosheid sprake is als een verdachte meerdere verkeersfouten heeft gemaakt, dat in ernstige mate is gebeurd, dat opzettelijk is gebeurd en daardoor gevaar te duchten was voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen. In dat verband heeft de advocaat-generaal het volgende aangevoerd.
Allereerst kan op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting worden vastgesteld dat de verdachte, als bestuurder van een personenauto, voorafgaand aan het ongeval op 11 december 2022 meerdere verkeersregels heeft geschonden. De verdachte was namelijk onder invloed van alcohol, reed veel harder dan ter plekke was toegestaan en had de door hem bestuurde auto niet onder controle.
Ten tweede kan worden vastgesteld dat de verdachte de verkeersregels in ernstige mate heeft geschonden. Na het ongeval is bij de verdachte een alcoholpromillage vastgesteld van 1,20 milligram alcohol per milliliter bloed, terwijl 0,50 milligram alcohol per milliliter wettelijk is toegestaan. Verder is uit technisch onderzoek door de politie gebleken dat de verdachte voorafgaand aan het ongeval met een snelheid reed van ruim 146 kilometer per uur, terwijl de ter plaatse (binnen de bebouwde kom) toegestane maximumsnelheid 50 kilometer per uur bedraagt. Daar komt bij dat uit de verklaring van de getuige [getuige] , die voorafgaand aan het ongeval is ingehaald door de auto waarin de verdachte reed, kan worden afgeleid dat de verdachte reeds enkele honderden meters voor de plaats van het ongeval veel te hard reed. De advocaat-generaal heeft het hof in dit verband gewezen op een uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch d.d. 21 februari 2025 (ECLI:NL:GHSHE:2025:421) waarin is overwogen dat een snelheidsovertreding naar haar aard een voortdurende schending van de verkeersregels is en voorts dat het rijden met een extreem hoge snelheid – de verdachte in die zaak had over een afstand van 10 kilometer gereden met een snelheid oplopend van ongeveer 243 kilometer per uur naar een snelheid van 255 kilometer per uur, terwijl de ter plaatse toegestane maximumsnelheid 130 kilometer betrof – op zichzelf als een ernstige schending van de verkeersregels kan worden aangemerkt.
Ten derde kan op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting worden bewezen dat de verdachte de hiervoor genoemde schendingen van de verkeersregels opzettelijk heeft begaan. Op het moment dat de verdachte achter het stuur van de auto plaatsnam, wist hij dat hij onder invloed was van alcohol en daarnaast heeft de verdachte als bestuurder van de personenauto zelf het gaspedaal ingetrapt. Een overschrijding van de maximumsnelheid zoals in deze zaak aan de orde is, kan in de ogen van de advocaat-generaal enkel opzettelijk plaatsvinden.
Tot slot kan worden vastgesteld dat als gevolg van het hiervoor beschreven verkeersgedrag van de verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is geweest. Dit gevaar heeft zich, met het overlijden van bijrijder [slachtoffer] , ook verwezenlijkt.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat – hoewel niet betwist wordt dat de verdachte voorafgaand aan het ongeval te hard heeft gereden en daarnaast onder invloed was van te veel alcohol – niet is voldaan aan de vereisten voor vaststelling van roekeloosheid in de zin van artikel 175, tweede lid, in samenhang met artikel 6 van de WVW 1994, zodat de verdachte van dit onderdeel van het hem onder 1 primair tenlastegelegde partieel dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte voorafgaand aan het ongeval over een langere afstand of gedurende een langere periode met de door de politie gemeten snelheid heeft gereden. Bovendien is niet gebleken dat de verdachte voorafgaand aan het ongeval nog andere dan voornoemde verkeersregels heeft geschonden, hetgeen, gelet op de memorie van toelichting bij de Wet aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten (
Stb.2019, 413) en de jurisprudentie waarin roekeloosheid is aangenomen, voor de vaststelling van roekeloosheid in beginsel wel is vereist. In dat verband heeft de raadsman aangevoerd dat de onder 1 tenlastegelegde omstandigheden dat de verdachte bij het naderen van een of meer (flauwe) bochten zijn snelheid onvoldoende heeft geminderd en/of de snelheid van de door hem bestuurde auto niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was de auto onder controle te houden en/of tot stilstand te brengen, samenhangen met de snelheidsovertreding door de verdachte en dus geen zelfstandige schendingen van de verkeersregels opleveren. Tot slot heeft de raadsman, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad d.d. 15 oktober 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1405), nog aangevoerd dat het bij het bewijs van opzettelijk in ernstige mate overtreden van verkeersregels onder meer aankomt op feiten en omstandigheden die zicht bieden op de “algehele instelling van de verdachte waar het zijn deelname aan het verkeer betreft in het concrete geval”. In dat verband heeft de raadsman erop gewezen dat van een vooropgezet plan van de verdachte om na in de stad te hebben gedronken met de auto naar huis te rijden, geen sprake was. Immers, de verdachte was op 11 december 2022 juist niet van plan om auto te gaan rijden en was daarom met de fiets naar de stad gegaan. Echter, hij heeft, nadat hij na terugkomst uit de stad eerst enkele uren had geslapen, de verkeerde inschatting gemaakt dat hij weer nuchter was en in staat om een auto te besturen. In dat opzicht verschilt de onderhavige zaak van de zaken waarin roekeloosheid door de rechter wel is aangenomen, aldus de raadsman.
4.3.2
Het oordeel van het hof
4.3.2.1 Vaststaande feiten en omstandigheden
Het hof stelt met de rechtbank vast dat op 11 december 2022 omstreeks 06:30 uur op de Heerbaan in Breda een eenzijdig verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Op deze weg geldt een maximumsnelheid van 50 kilometer per uur. Vanuit de rijrichting Tilburgseweg naar de Claudius Prinsenlaan maakt deze weg een flauwe bocht naar rechts gevolgd door een flauwe bocht naar links.
De verdachte reed in een personenauto over de Heerbaan, komende uit de richting van de Tilburgseweg en gaande in de richting van de Claudius Prinsenlaan. Zijn goede vriend [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) zat als bijrijder naast hem in het voertuig. De verdachte is in de flauwe bocht naar links de macht over het voertuig verloren. Hij heeft met de rechterwielen van het voertuig de stoeprand geraakt en is vervolgens de bocht uitgevlogen. Uiteindelijk is hij achtereenvolgens tegen een verkeerspaal, een reclamebord en een lantaarnpaal gebotst. Tijdens de botsing tegen de verkeerspaal is het voertuig in twee stukken gespleten. [slachtoffer] is daarbij tegen de verkeerspaal gedrukt. Als gevolg van de daarbij opgelopen verwondingen is [slachtoffer] ter plaatse overleden.
Uit onderzoek is gebleken dat de verdachte ten tijde van het ongeval onder invloed van alcohol verkeerde. Het alcoholgehalte van het bloed van verdachte bedroeg 1,20 milligram alcohol per milliliter bloed, terwijl 0,50 milligram alcohol per milliliter was toegestaan. Ook is gebleken dat de verdachte in de tijdspanne van vijf tot één seconde voorafgaand aan de botsing zijn snelheid verhoogde van 144,15 kilometer per uur naar 146,83 kilometer per uur. Uiteindelijk is de verdachte met een snelheid van 133,35 kilometer per uur tegen de verkeerspaal gebotst.
4.3.2.2 Aan de schuld van verdachte te wijten?
Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van overtreding van artikel 6 WVW 1994 is vereist dat het verkeersongeval aan de schuld van de verdachte te wijten is. Om te beoordelen of er sprake is van schuld komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met een of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. Bij de vaststelling van de mate waarin de verdachte schuld aan het ongeval heeft, wordt onderscheid gemaakt tussen aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend (de lichtste vorm van schuld), zeer onvoorzichtig en/of onoplettend (de middelste vorm van schuld) en roekeloos rijgedrag (de zwaarste vorm van schuld). Alle drie de vormen van schuld zijn in deze zaak tenlastegelegd. Het hof overweegt daarover, verbeterend en aanvullend op hetgeen de rechtbank overwoog, als volgt.
Het hof stelt vast dat de Hoge Raad, na het verkeersongeval in de onderhavige zaak alsmede na het wijzen door de rechtbank van het beroepen vonnis en het daartegen ingestelde hoger beroep, op 15 oktober 2024 een overzichtsarrest heeft gewezen waarin nadere uitleg wordt gegeven over roekeloosheid als zwaarste schuldvorm (ECLI:NL:HR:2024:1405). In dit arrest heeft de Hoge Raad onder verwijzing naar en beschouwing van de totstandkomingsgeschiedenis van de Wet aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten (
Stb.2019, 413) onder meer overwogen dat
“onder roekeloosheid als zwaarste schuldvorm moet worden verstaan een buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte waardoor een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, terwijl de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn. Van roekeloosheid in de zin van artikel 175 lid 2 in samenhang met artikel 6 WVW 1994 is in elk geval sprake als het gedrag ook als een overtreding van artikel 5a lid 1 WVW 1994 kan worden aangemerkt. Artikel 5a lid 1 WVW 1994 beschrijft – niet uitputtend – een reeks gedragingen. Als de verdachte, door een of meer van dergelijke gedragingen te verrichten, opzettelijk zich zodanig in het verkeer gedraagt dat de verkeersregels in ernstige mate worden geschonden, kan dat gedrag als roekeloos worden aangemerkt als daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is. Bij het bewijs van het opzettelijk in ernstige mate overtreden van de verkeersregels komt het onder meer aan op de feiten en omstandigheden die zicht bieden op “de algehele instelling van de verdachte waar het in het concrete geval zijn deelname aan het verkeer betreft”.” (r.o. 2.7.4)
4.3.2.3 Schuldgradatie
Met de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat op grond van de inhoud van het dossier kan worden vastgesteld dat de verdachte ten tijde van het ongeval op 11 december 2022 onder invloed verkeerde van een hoger dan toegestaan promillage alcohol in zijn bloed. Na het ongeval is bij de verdachte een alcoholpromillage vastgesteld van 1,20 milligram alcohol per milliliter bloed, terwijl 0,50 milligram alcohol per milliliter bloed is toegestaan. Voorts reed de verdachte voorafgaand aan het ongeval met een snelheid van ruim 146 kilometer per uur, terwijl de ter plaatse (binnen de bebouwde kom) toegestane maximumsnelheid 50 kilometer per uur bedraagt. Dit zijn ernstige schendingen van de verkeersregels. Niet is gebleken dat de verdachte voorafgaand aan het ongeval nog andere dan voornoemde verkeersregels heeft geschonden. In dat verband is het hof met de raadsman van de verdachte van oordeel dat de onder 1 tenlastegelegde omstandigheden dat de verdachte bij het naderen van een of meer (flauwe) bochten zijn snelheid onvoldoende heeft geminderd en/of de snelheid van de door hem bestuurde auto niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was de auto onder controle te houden en/of tot stilstand te brengen, samenhangen met de snelheidsovertreding door de verdachte en derhalve geen zelfstandige schendingen van de verkeersregels opleveren.
Op grond van de inhoud van het dossier en met behulp van de openbaar raadpleegbare (internet)bron ‘Google Maps’ stelt het hof vast dat de route die de verdachte in de vroege ochtend van 11 december 2022 kort voorafgaand aan het ongeval op de Heerbaan met de auto heeft afgelegd circa 1.500 meter behelst. Hierbij neemt het hof als uitgangspunt de locatie waar de verdachte en [slachtoffer] de eigenaar van de auto zouden hebben achtergelaten, althans waar deze zich volgens diens telefonische verklaring kort na het ongeval (pagina 62 van het dossier) nog bevond, te weten het [adres 2] . Blijkens ‘Google Maps’ wordt deze route bij normaal verkeer met de auto binnen 3 minuten gereden, waarbij wordt opgemerkt dat [adres 2] , zijnde een zijstraat van de Heerbaan met verschillende aftakkingen, een 30 kilometerzone betreft en op de Heerbaan de maximumsnelheid 50 kilometer per uur bedraagt. Het hof kan, op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, niet exact vaststellen binnen welke tijdspanne en met welke snelheden de verdachte deze route heeft afgelegd. Immers, uit de beschikbare informatie kan niet worden afgeleid op welk tijdstip de verdachte en [slachtoffer] deze route zijn gaan rijden en binnen welke tijdspanne deze met de auto is overbrugd. Wel volgt uit het door de politie verrichte technisch onderzoek dat de verdachte in de tijdspanne van vijf tot één seconde voorafgaand aan het ongeval als bestuurder de snelheid van de auto verhoogde van 144,15 kilometer per uur naar 146,83 kilometer per uur en de auto uiteindelijk met een snelheid van 133,35 kilometer per uur tegen een verkeerspaal is gebotst (pagina 33 van het dossier). Verder kan op grond van de inhoud van de verklaring van de getuige [getuige] (pagina’s 48 en 49 van het dossier) worden vastgesteld dat de verdachte in elk geval vanaf de benzinepomp van BP aan de Heerbaan met een hogere snelheid dan de ter plaatse (binnen de bebouwde kom) toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur heeft gereden, waarbij de getuige de snelheid inschat op zo’n 100 kilometer per uur, maar zij geen exacte snelheid kon geven. De afstand tussen de benzinepomp en de plaats van het ongeval is blijkens ‘Google Maps’ circa 800 meter. Gelet hierop, acht het hof aannemelijk dat de verdachte vanaf de benzinepomp over een afstand van iets minder dan een kilometer maximaal, zo niet minder dan een minuut met een (extreem) hoge snelheid heeft gereden.
Verder stelt het hof, ten aanzien van “de algehele instelling van de verdachte waar het in het concrete geval zijn deelname aan het verkeer betreft”, op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de navolgende feiten en omstandigheden vast. Daarbij merkt het hof op voorhand op dat het bij de vaststelling van de algehele instelling van de verdachte betreffende zijn deelname aan het verkeer in dit concrete geval moet uitgaan van de informatie die voorligt. Hoewel de politie in de onderhavige zaak goed en uitgebreid onderzoek heeft gedaan naar onder meer de toedracht van het ongeval, zou het hof bij de beoordeling van de algehele instelling van de verdachte bij voorkeur nog meer feiten en omstandigheden betrekken die zicht (kunnen) bieden op deze instelling. Ten aanzien van de onderhavige zaak zou daarbij gedacht kunnen worden aan (nadere) informatie over het verloop van de avond en de nacht, ieders alcoholconsumptie en de precieze route die door de verdachte op 11 december 2022 met de auto is afgelegd evenals de tijd die daarmee gepaard ging. Mede in dat kader hadden de vrienden van de verdachte die op het feest en/of in de stad en/of tijdens de zogenoemde afterparty aanwezig waren, kunnen worden bevraagd of er die avond/nacht iemand als BOB was aangesteld en, zo ja, wie, en wat (verder) was afgesproken over het vervoer van en naar de stad en van en naar de afterparty. Ook had nader onderzoek kunnen worden verricht naar de Snapchatberichten tussen het slachtoffer [slachtoffer] en andere personen voorafgaand aan het ongeval, zoals deze uit de telefoon van het slachtoffer bleken. Omdat op het moment van het onderzoek het eerder genoemde overzichtsarrest van de Hoge Raad nog niet was gewezen, lag het belang van de hiervoor genoemde onderzoekshandelingen ook niet erg voor de hand. Dergelijk aanvullend onderzoek acht het hof op dit moment, ruim drie jaar na het ongeval, en in deze fase van de procedure niet meer aangewezen.
Volgens de verdachte, zo blijkt uit de door hem afgelegde verklaringen, had de avond en nacht voorafgaande aan het ongeval het volgende verloop. Op 10 december 2022 had de verdachte een winterbarbecue met vrienden. Hij wist dat er die avond gedronken zou worden en was daarom met de fiets gegaan. Na de winterbarbecue is de verdachte met zijn vrienden naar de stad gegaan en na de stad is de verdachte met een aantal vrienden voor een zogenoemde afterparty naar het huis van een bekende in [adres 2] gegaan. Na de winterbarbecue is de verdachte telkens meegereden in de auto van een vriend en tijdens die laatste rit naar [adres 2] is hij op de achterbank in slaap gevallen. Dit heeft getuige [getuige 2] , eigenaar van de auto waarmee het ongeval plaatsvond, op 11 december 2022 uit eigen beweging verklaard, terwijl hij op dat moment nog niet op de hoogte was van de ernst van het ongeval noch van het overlijden van [slachtoffer] , hetgeen naar het oordeel van het hof bijdraagt aan de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van deze verklaring.
Tijdens de winterbarbecue en in de stad had de verdachte meerdere glazen met alcohol gedronken. Onderweg van de stad naar de woning aan [adres 2] is de verdachte in slaap gevallen. Eenmaal aangekomen bij de woning aan [adres 2] , hebben zijn vrienden hem slapend op de achterbank van de auto achtergelaten, terwijl zij zelf naar de afterparty in de woning gingen. De verdachte heeft vervolgens enkele (tweeënhalf à drie) uren in de auto geslapen. Op enig moment is de verdachte wakker gemaakt door zijn vriend [slachtoffer] , die vroeg of de verdachte hem naar huis kon brengen. De verklaring van de verdachte vindt, ook voor wat betreft het slapen in de auto door de verdachte en het eerder naar huis willen van [slachtoffer] , bevestiging in de verklaring van voornoemde [getuige 2] .
Op het moment dat [slachtoffer] hem wakker maakte voelde de verdachte zich naar eigen zeggen goed en in staat om een auto te besturen; hij had er geen rekening mee gehouden dat er, na het slapen, nog alcohol in zijn bloed zou zitten. De verdachte heeft verklaard dat hij zich het eerste gedeelte van de route van [adres 2] naar de Heerbaan nog kan herinneren en daarbij niet merkte dat hij nog onder invloed van alcohol was. Van het gedeelte van de route na de benzinepomp aan de Heerbaan kan de verdachte zich niets meer herinneren.
Het hof stelt voorts vast dat de verdachte sinds 21 maart 2013 een rijbewijs had. Dat de verdachte de voorschriften in de Wegenverkeerswet 1994 eerder heeft overtreden is het hof niet gebleken. Hoewel de informatie in het dossier op dit punt beperkt is, blijkt uit niets dat de verdachte de verkeersregels structureel aan zijn laars lapte. Voor wat betreft de algehele instelling ten aanzien van deelname aan het verkeer kan daarnaast worden vastgesteld dat verdachte die avond de fiets als vervoermiddel had gekozen omdat er gedronken zou worden. Uitgaande van de verklaring van de verdachte stond hij echter teveel in de servicestand toen hij in de auto waarin hij lag te slapen wakker werd gemaakt door zijn vriend die hem, verdachte, vroeg hem naar huis te brengen.
Het hof acht de omstandigheid dat de verdachte aan het verzoek van [slachtoffer] heeft voldaan een zeer aanmerkelijke en ook zeer verwijtbare inschattingsfout. Daarnaast is de gemeten snelheid, ook al werd die gereden op een grotendeels recht stuk asfaltweg (met, gelet op het tijdstip, weinig verkeer), extreem veel te hoog en in beginsel een sterke aanwijzing om roekeloosheid aan te nemen. Gelet echter op de zeer korte tijdspanne waarbinnen maximaal kan worden aangenomen dat met die hoge snelheid is gereden in combinatie met alle andere hiervoor benoemde bekende feiten en omstandigheden die deels ook wijzen op verantwoord verkeersgedrag die avond, is het hof van oordeel dat niet aan de vereisten voor roekeloos rijgedrag, zoals die door de Hoge Raad in zijn arrest van 15 oktober 2024 nader zijn uitgelegd, is voldaan.
Concluderend is het hof is van oordeel dat de verdachte, door zich in het verkeer te gedragen als hij heeft gedaan, weliswaar verkeersregels in zeer ernstige mate heeft geschonden en ook dat daarvan niet alleen levensgevaar voor een ander te duchten was, maar dat dit gevaar zich ook daadwerkelijk heeft verwezenlijk doordat [slachtoffer] als gevolg van verdachtes gedragingen is komen te overlijden. Echter, gelet op al het vorenoverwogene en met name het door het hof verkregen – beperkte – zicht op de algehele instelling van de verdachte voor wat betreft diens deelname aan het verkeer op en omstreeks de pleegdatum, kan uit het voorhanden politiedossier noch het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende worden afgeleid dat de verdachte zich die vroege ochtend opzettelijk zodanig in het verkeer heeft gedragen teneinde de verkeersregels in ernstige mate te schenden. Dat betekent dat roekeloosheid in de zin van artikel 5a van de WVW 1994 niet wettig en overtuigend kan worden bewezen en dat hij van dat onderdeel van de tenlastelegging partieel zal worden vrijgesproken. De verdachte kan wel worden verweten dat hij op 11 december 2022 als bestuurder van een personenauto zeer onoplettend en onvoorzichtig is geweest waardoor een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden waarbij [slachtoffer] is gedood.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. G.J. Hanssen, voorzitter,
mr. N.I.B.M. Buljevic en mr. J.C. Gillesse, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. S. Kerssies, griffier,
en op 21 januari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.