Belanghebbende heeft over de jaren 2015 tot en met augustus 2018 Nederlandse omzetbelasting in rekening gebracht en voldaan over afstandsverkopen aan Belgische particulieren. Nadat bleek dat de omzetdrempel van artikel 5a Wet OB was overschreden, heeft de Belgische Belastingdienst naheffingsaanslagen opgelegd die belanghebbende heeft betaald. Vervolgens heeft belanghebbende suppletieaangiften ingediend en de ten onrechte in Nederland afgedragen omzetbelasting teruggevraagd, welke door de inspecteur is terugbetaald.
Belanghebbende verzocht om vergoeding van invorderingsrente op grond van artikel 28c Invorderingswet 1990. Dit verzoek werd door de ontvanger afgewezen, waarna belanghebbende bezwaar maakte en beroep instelde bij de rechtbank. De rechtbank kende de rentevergoeding toe. De ontvanger stelde hiertegen hoger beroep in bij het hof.
Het hof oordeelt dat op grond van het arrest HvJ EU Dinkelland geen recht bestaat op invorderingsrente wanneer de teruggaaf het gevolg is van een vergissing van de belastingplichtige zelf en niet van een fout van de inspecteur. De teruggegeven omzetbelasting kwalificeert niet als in strijd met het Unierecht geheven belasting. Daarom is het beroep van de ontvanger gegrond, wordt de uitspraak van de rechtbank vernietigd en wordt het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard.