ECLI:NL:HR:2018:1789

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 september 2018
Publicatiedatum
26 september 2018
Zaaknummer
17/01298
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over de vergoeding van Irimie-rente in belastingzaken

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 28 september 2018 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure betreffende de vergoeding van rente in het kader van de belasting van personenauto's en motorrijwielen (bpm). De belanghebbende had eerder een naheffingsaanslag ontvangen, welke door de Rechtbank en het Gerechtshof was verminderd. De Hoge Raad oordeelde dat het Gerechtshof niet bevoegd was om te gelasten dat de Inspecteur rente moest vergoeden aan de belanghebbende, omdat er in deze procedure geen voor bezwaar vatbare beschikking van de ontvanger aan de orde was. Dit oordeel is gebaseerd op eerdere rechtspraak van de Hoge Raad, waarin werd vastgesteld dat de rentevergoeding niet kan worden toegewezen in een procedure die niet de juiste rechtsgrond heeft. De Hoge Raad verklaarde het principale beroep van de belanghebbende ongegrond, maar het incidentele beroep van de Staatssecretaris van Financiën werd gegrond verklaard, wat leidde tot de vernietiging van de uitspraak van het Hof voor zover deze betrekking had op de rentevergoeding. De Hoge Raad achtte geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

Uitspraak

28 september 2018
nr. 17/01298
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof 's-Hertogenboschvan 30 maart 2017, nr. 16/00076, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 13/6462), betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto's en motorrijwielen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft schriftelijk zijn zienswijze omtrent het incidentele beroep naar voren gebracht.
Belanghebbende heeft in het principale beroep een conclusie van repliek ingediend.

2.Uitgangspunten in cassatie

De Rechtbank heeft bij uitspraak van 29 december 2015 de op 19 mei 2013 aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) verminderd. Op het hoger beroep van belanghebbende heeft het Hof die naheffingsaanslag bij de in cassatie bestreden uitspraak van 30 maart 2017 verder verminderd. Daarbij heeft het Hof beslist dat aan belanghebbende rente moet worden vergoed overeenkomstig artikel 28c van de Invorderingswet 1990 (hierna: de Wet), te berekenen over het tijdvak dat aanvangt op de dag na die waarop de naheffingsaanslag is betaald en eindigt op de dag voorafgaand aan die van de terugbetaling.
3. Beoordeling van de in het principale beroep voorgestelde middelen en het in het incidentele beroep voorgestelde middel
3.1.
Het in het principale beroep voorgestelde middel I, gericht tegen de hiervoor in onderdeel 2 weergegeven beslissing van het Hof over de hoogte van de naheffingsaanslag, kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu dat middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3.2.
Zowel het in het principale beroep voorgestelde middel II als het in het incidentele beroep voorgestelde middel is gericht tegen de hiervoor in onderdeel 2 weergegeven beslissing van het Hof over de rentevergoeding.
3.3.
Het in het incidentele beroep voorgestelde middel betoogt dat het Hof in de onderhavige procedure niet bevoegd was te gelasten dat aan belanghebbende overeenkomstig artikel 28c van de Wet rente moet worden vergoed over het onverschuldigd betaalde bedrag aan bpm omdat in deze procedure niet een voor bezwaar vatbare beschikking van de ontvanger voorwerp van geschil was. Dit middel slaagt op de gronden die zijn vermeld in rechtsoverweging 2.2.5 van het arrest van de Hoge Raad van 3 maart 2017, nr. 16/01176, ECLI:NL:HR:2017:341, BNB 2017/99.
3.4.
De hiervoor in 3.3 bedoelde gronden brengen tevens mee dat het in het principale beroep voorgestelde middel II niet tot cassatie kan leiden.
3.5.
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.3 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.

4.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het principale beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond,
verklaart het incidentele beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën gegrond, en
vernietigt de uitspraak van het Hof, doch uitsluitend voor zover het Hof heeft beslist dat door de Inspecteur aan belanghebbende overeenkomstig het bepaalde in artikel 28c van de Invorderingswet 1990 rente moet worden vergoed.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer E.N. Punt als voorzitter, en de raadsheren J.A.C.A. Overgaauw, P.M.F. van Loon, L.F. van Kalmthout en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 28 september 2018.