In deze zaak heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch op 18 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Oost-Brabant. De verdachte, die in het buitenland gedetineerd was, had hoger beroep ingesteld tegen een vonnis waarbij zij bij verstek schuldig was verklaard zonder oplegging van straf. Het hof heeft vastgesteld dat de rechtbank niet had mogen voortgaan met het onderzoek ter terechtzitting, aangezien de verdachte niet in persoon was opgeroepen en niet op de hoogte was van de zitting. De verdachte had herhaaldelijk aangegeven gebruik te willen maken van haar aanwezigheidsrecht, maar was niet in staat om naar Nederland te reizen. Het hof oordeelde dat het hoger beroep tijdig was ingesteld, omdat de verdachte pas op 10 januari 2025 op de hoogte was gesteld van de einduitspraak. Het hof heeft de zaak teruggeworpen naar de rechtbank, zodat deze opnieuw kan worden behandeld met inachtneming van het recht van de verdachte om aanwezig te zijn. De beslissing van het hof benadrukt het belang van het aanwezigheidsrecht in strafzaken en de noodzaak voor de rechtbank om dit recht te respecteren, vooral wanneer de verdachte in het buitenland gedetineerd is.