ECLI:NL:GHSHE:2025:3685

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
20-000863-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontvankelijkheid van hoger beroep en terugwijzing naar de rechtbank wegens schending van het aanwezigheidsrecht van de verdachte

In deze zaak heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch op 18 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Oost-Brabant. De verdachte, die in het buitenland gedetineerd was, had hoger beroep ingesteld tegen een vonnis waarbij zij bij verstek schuldig was verklaard zonder oplegging van straf. Het hof heeft vastgesteld dat de rechtbank niet had mogen voortgaan met het onderzoek ter terechtzitting, aangezien de verdachte niet in persoon was opgeroepen en niet op de hoogte was van de zitting. De verdachte had herhaaldelijk aangegeven gebruik te willen maken van haar aanwezigheidsrecht, maar was niet in staat om naar Nederland te reizen. Het hof oordeelde dat het hoger beroep tijdig was ingesteld, omdat de verdachte pas op 10 januari 2025 op de hoogte was gesteld van de einduitspraak. Het hof heeft de zaak teruggeworpen naar de rechtbank, zodat deze opnieuw kan worden behandeld met inachtneming van het recht van de verdachte om aanwezig te zijn. De beslissing van het hof benadrukt het belang van het aanwezigheidsrecht in strafzaken en de noodzaak voor de rechtbank om dit recht te respecteren, vooral wanneer de verdachte in het buitenland gedetineerd is.

Uitspraak

Parketnummer : 20-000863-25
Uitspraak : 18 december 2025
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 29 januari 2024, in de strafzaak met parketnummer 01-003189-22 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het tenlastegelegde bewezenverklaard en dat gekwalificeerd als ‘opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent, meermalen gepleegd’, de verdachte deswege strafbaar verklaard en haar schuldig verklaard zonder oplegging van straf.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Door de verdediging is bepleit dat het hof de verdachte ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep en de zaak zal terugwijzen naar het gerecht in eerste aanleg, zodat de zaak in eerste aanleg opnieuw kan worden berecht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep. Subsidiair heeft de advocaat-generaal het standpunt ingenomen dat de zaak wordt teruggewezen naar de rechtbank, zodat de zaak in eerste aanleg opnieuw kan worden berecht.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
De rechtbank heeft de verdachte op 29 januari 2024 bij verstek schuldig verklaard zonder oplegging van straf. De verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Na ontvangst van een e-mailbericht vanaf het e-mailadres van de verdachte aan het parket Oost-Brabant d.d. 24 maart 2025 is op 27 maart 2025 een akte hoger beroep opgemaakt. De vraag die het hof eerst dient te beantwoorden is of het hoger beroep op tijd is ingesteld.
Het volgende is daarbij van belang.
De oproeping voor de zitting van 15 januari 2024, die aan de uitspraak van de rechtbank voorafging, is niet in persoon aan de verdachte betekend. Het hof heeft uit het dossier niet kunnen afleiden dat de verdachte op de hoogte was van deze zitting. Op grond van artikel 408, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering geldt in zo’n geval als uitgangspunt dat hoger beroep moet worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is. Van zo’n omstandigheid is sprake als de verdachte op de hoogte is gesteld van datgene wat voor haar van belang is voor de besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep (vgl. HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1940).
In het dossier bevindt zich een ‘Official Police Statement’ van politieambtenaar [politieambtenaar] van West Yorkshire Police d.d. 10 januari 2025, onder meer inhoudende:
“I am providing this statement regarding a request from the authorities in Netherlands. On the 10th of January 2025 at approximately 2000 hours, I was asked by [politieambtenaar 2] if I can go into Police custody with some documents which had been sent by the authorities in Netherlands for a female who was in Police custody at [politiebureau] to sign.
The female I was going to see was called [verdachte] also known as [verdachte] . I was tasked with asking her to sign a document relating to a case in the Netherlands which occurred in January 2022 where she was the suspect.
At 2015 hours, I spoke to [verdachte] in her cell where I made her aware of these documents and asked her to sign.
[verdachte] refused to sign the document stating that it was incorrect as her ex-husband was the suspect and she was in fact the victim.
I explained that what i was asking her to sign was a Certificate of Receipt which is proof that the documents had been served. [verdachte] still refused to sign this. This statement is to cover that at 2015 hours on the 10th of January 2025, I served the documents to [verdachte] while she was in a cell in [politiebureau] . At the time of writing this statement, her copy of the documents have been placed into her Custody property.”
Het hof heeft voorafgaand aan de terechtzitting aan de advocaat-generaal gevraagd om bij het IRC na te gaan welke stukken ter uitreiking aan de verdachte naar het Verenigd Koninkrijk zijn verstuurd nu deze zich nog niet in het strafdossier bevonden. In reactie daarop heeft het hof van het ressortsparket onder meer een Nederlandse mededeling uitspraak en een Engelse vertaling daarvan ontvangen. De Nederlandse mededeling uitspraak houdt onder meer in:
“Datum: 1 februari 2024
Hierbij deel ik u mede dat de meervoudige strafkamer zitting houdende te ’s-Hertogenbosch op maandag 29 januari 2024 onderstaand vonnis heeft gewezen:
Kwalificatie: Opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent, meermalen gepleegd.
Gepleegd: in de periode van 3 januari 2022 tot en met 4 januari 2022
Beslissing: Schuldigverklaring zonder oplegging van straf
Tevens verwijs ik u naar de mededeling(en) op de bijsluiter
De officier van justitie”
Het dossier bevat verder een e-mail die op 22 maart 2025 is gestuurd vanaf het e-mailadres van de verdachte aan de IRC administratie van het arrondissementsparket Oost-Brabant, inhoudende:
“Dear Crown prosecutor. I was handed these documents on the 10th of January 2025 to inform me that I was convicted without the opportunity to defend myself . lt is within my human rights to be allowed an opportunity to defend myself. My criminal conviction in the Den Bosch court is unlawful. (…)
My criminal conviction in the Den Bosch court is unlawful for the following reasons:
(…)
4) The documents were only served on me on the 10/01/25,1 therefore ask you to overturn this conviction.”
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte ontvankelijk dient te worden verklaard in het hoger beroep. Daartoe is door en namens de verdachte – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de verdachte op 10 januari 2025 nog niet bekend is geraakt met de einduitspraak, en met name niet van datgene voor haar van belang is voor de besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep. De verdachte stelt dat zij vanaf medio januari 2022 tot en met september 2025 in het Verenigd Koninkrijk gedetineerd was. Zij heeft de stukken op 10 januari 2025 niet in ontvangst genomen en pas op een later moment, toen zij werd overgeplaatst, van de inhoud daarvan kennis genomen. Volgens de verdediging heeft de verdachte direct nadat zij bekend was geworden met de inhoud van het vonnis van de rechtbank, te weten op 13 maart 2025, een handgeschreven brief gestuurd naar het Openbaar Ministerie. De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep een scan van deze handgeschreven brief aan het hof overgelegd die zich volgens de raadsman al in zijn digitale strafdossier bevond. De inhoud van deze brief komt overeen met die van het e-mailbericht dat namens de verdachte aan het arrondissementsparket is verzonden op 22 maart 2025. Vervolgens heeft de verdachte per e-mail van 24 maart 2025 en – daarmee tijdig – kenbaar gemaakt hoger beroep te willen instellen.
De advocaat-generaal heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte niet-ontvankelijk is in het hoger beroep, omdat dit te laat is ingesteld. Daartoe heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat – blijkens de door de politie van het Verenigd Koninkrijk opgemaakte bescheiden d.d. 10 januari 2025 – een politieagent op 10 januari 2025 de einduitspraak aan de verdachte heeft uitgereikt. Alhoewel de verdachte weigerde voor ontvangst te tekenen, was zij vanaf dat moment al bekend met het vonnis van de rechtbank. Nu de verdachte hiertegen pas op 24 maart 2025 hoger beroep heeft aangetekend, is het hoger beroep te laat ingesteld en dient het niet-ontvankelijk te worden verklaard, aldus de advocaat-generaal.
Het hof overweegt als volgt.
Uit het dossier volgt dat de verdachte op 10 januari 2025 gedetineerd was in het cellencomplex op het politiebureau te Leeds in het Verenigd Koninkrijk. Blijkens de door de politie van het Verenigd Koninkrijk opgemaakte bescheiden van 10 januari 2025, heeft een politieambtenaar toen geprobeerd om de mededeling uitspraak aan de verdachte uit te reiken. De verdachte weigerde de akte te ondertekenen en de stukken in ontvangst te nemen. Het hof kan uit de thans voorhanden stukken niet vaststellen dat de politieambtenaar op 10 januari 2025 de inhoud van het vonnis heeft medegedeeld. De stukken zijn door de politieambtenaar achtergelaten in
‘Custody property’(het hof begrijpt hier: een opslag voor afgenomen goederen van gedetineerden).
Naar het oordeel van het hof kan niet worden vastgesteld dat de verdachte op 10 januari 2025 al bekend was geraakt met de relevante inhoud van de einduitspraak van de rechtbank. De enkele mededeling van de verdachte in haar brief en e-mail, inhoudende:
“I was handed these documents on the 10th of January 2025”, rechtvaardigt die conclusie niet, mede gelet op wat de verdachte daarover ter terechtzitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht in samenhang met de ‘
Police Statement’van 10 januari 2025 waaruit volgt dat verdachte op die datum weigerde de stukken in ontvangst te nemen, waarna zij werden achtergelaten in
‘Custody property’.
Gelet op het voorgaande, kan het hof niet met zekerheid vaststellen dat de verdachte eerder dan ten tijde van haar brief d.d. 13 maart 2025 op de hoogte is geraakt van de relevante inhoud van de einduitspraak van de rechtbank. Nu het hoger beroep binnen de termijn van veertien dagen na 13 maart 2025 is ingesteld, is het hof van oordeel dat het tijdig is ingesteld. Daarom zal het hof de verdachte ontvankelijk verklaren in het hoger beroep.
Geldigheid van de behandeling in eerste aanleg
Door en namens de verdachte is aan het hof verzocht de zaak terug te wijzen naar de rechtbank. De eerste rechter had niet aan een inhoudelijke behandeling van de zaak mogen toekomen, maar het onderzoek ter terechtzitting moeten schorsen, teneinde de niet verschenen verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek aanwezig te zijn nu verdachte op het tijdstip van de zitting in eerste aanleg gedetineerd was in het Verenigd Koninkrijk en zij geen afstand had gedaan van haar recht om bij de behandeling van de zaak aanwezig te zijn.
De advocaat-generaal heeft zich in haar subsidiaire standpunt hierbij aangesloten.
Op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof het volgende vast.
De inleidende dagvaarding is op 5 januari 2022 in persoon aan de verdachte uitgereikt. Het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg heeft vervolgens een aanvang genomen op 8 april 2022. De verdachte noch de raadsman waren ter terechtzitting verschenen. Op verzoek van de raadsman van de verdachte heeft de politierechter de inhoudelijke behandeling van de strafzaak voor onbepaalde tijd aangehouden, omdat de verdachte toentertijd in het Verenigd Koninkrijk verbleef, zij aldaar in afwachting was van een rechtszaak, haar paspoort was ingenomen door de autoriteiten en zij daardoor niet in de gelegenheid was om naar Nederland af te reizen, terwijl de verdachte wel gebruik wenste te maken van haar aanwezigheidsrecht. De zaak is vervolgens op 31 maart 2023 opnieuw ter terechtzitting aan de orde geweest. De politierechter heeft de strafzaak toen verwezen naar de meervoudige kamer van de rechtbank. Op 1 mei 2023 is de zaak aan de orde geweest bij de meervoudige kamer. De verdachte en haar raadsman waren wederom niet verschenen. Het onderzoek is door de rechtbank voor onbepaalde tijd geschorst, omdat de verdachte in Engeland gedetineerd was en uitdrukkelijk te kennen was gegeven dat zij gebruik wenste te maken van haar aanwezigheidsrecht. Daarbij overwoog de rechtbank dat de verdachte bij de volgende zitting mogelijk door middel van een videoverbinding aanwezig zou kunnen zijn. De zaak is vervolgens aangebracht op 11 september 2023. Ter terechtzitting van 11 september 2023 is – in afwezigheid van de verdachte en haar raadsman – besproken dat een videoverbinding niet mogelijk bleek en is door de officier van justitie meegedeeld dat de verdachte tot eind 2023 (december) in Engeland gedetineerd is en dat de inhoudelijke behandeling nadien gepland kan worden. De rechtbank heeft vervolgens in het belang van de verdediging het onderzoek geschorst tot de terechtzitting van 15 januari 2024. Uiteindelijk heeft kennelijk een inhoudelijke behandeling plaatsgevonden op 15 januari 2024 en is de verdachte bij vonnis van 29 januari 2024 bij verstek veroordeeld. Van het onderzoek ter terechtzitting op 15 januari 2024 is door de rechtbank geen proces-verbaal opgemaakt, zodat voor het hof niet kenbaar is wat toen is besproken en waarom de rechtbank de zaak in afwezigheid van de verdachte bij verstek heeft afgedaan.
Zoals hiervoor is overwogen heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat zij in de periode van januari 2022 tot en met september 2025 gedetineerd was in Engeland. Ook heeft zij uitdrukkelijk kenbaar gemaakt dat zij van haar aanwezigheidsrecht gebruik wenste te maken. De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep toegelicht dat hij op de terechtzitting van 15 januari 2024 aanwezig was, dat hij toen naar voren heeft gebracht dat hij geen contact met de verdachte meer had kunnen krijgen en dat hij niet uitdrukkelijk gemachtigd was namens haar de verdediging te voeren, waarna de rechtbank de zaak bij verstek heeft behandeld.
Het hof stelt het volgende voorop. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt als hoofdregel dat, indien uit de stukken of het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat de verdachte in het buitenland is gedetineerd en niet blijkt dat hij rechtsgeldig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, niet wordt voortgegaan met het onderzoek ter terechtzitting. Van deze regel kan slechts in uitzonderlijke gevallen worden afgeweken (vgl. HR 14 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:709).
Uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, stelt het hof vast dat de verdediging in eerste aanleg herhaaldelijk kenbaar heeft gemaakt dat de verdachte gebruik wenste te maken van haar aanwezigheidsrecht. Kennelijk onderkende de rechtbank dat belang nu de behandeling van de zaak in eerste aanleg meerdere keren is aangehouden om de verdachte in de gelegenheid te stellen van haar aanwezigheidsrecht gebruik te maken. Daarbij is zelfs de mogelijkheid onderzocht om haar via een videoverbinding aan het strafproces te laten deelnemen. De verdachte heeft uiteindelijk geen gebruik kunnen maken van haar aanwezigheidsrecht.
Hiervoor is al overwogen dat uit het dossier niet is vast te stellen dat de verdachte op de hoogte was van de terechtzitting van 15 januari 2024. Ondanks het feit dat bij de rechtbank bekend was dat de verdachte voor een langere periode gedetineerd was, blijkt niet dat het openbaar ministerie en de rechtbank zijn nagegaan of de verdachte ten tijde van de terechtzitting van 15 januari 2024 inderdaad niet meer gedetineerd was. Dat onderzoek had wel in de rede gelegen. Nu een proces-verbaal van de terechtzitting van 15 januari 2024 ontbreekt, kan ook niet worden vastgesteld of de rechtbank een belangenafweging heeft gemaakt (en zo ja, welke) om de zaak desondanks in afwezigheid van de verdachte bij verstek af te doen.
Naar het oordeel van het hof moet onder deze omstandigheden achteraf worden geconcludeerd dat de rechtbank op 15 januari 2025 niet had mogen voortgaan met het onderzoek ter terechtzitting. Er is naar het oordeel van het hof sprake van een schending van het aanwezigheidsrecht van de verdachte.
De hoofdregel is dat, indien de hoofdzaak door de rechtbank is beslist en er sprake is van een ter gelegenheid van de behandeling en beslissing van de zaak in eerste aanleg tot nietigheid leidend verzuim, het hof de uitspraak van de eerste rechter vernietigt, maar dat de zaak niet terug wordt gewezen naar de rechtbank.
In bepaalde gevallen kan een uitzondering op die hoofdregel gelden en kan het beginsel dat een verdachte in aan hoger beroep onderworpen zaken aanspraak heeft op berechting in twee feitelijke instanties met zich meebrengen dat, indien zulks wordt verzocht, na vernietiging van het vonnis in eerste aanleg de zaak wordt teruggewezen naar de eerste rechter.
In de onderhavige zaak is naar het oordeel van het hof in eerste aanleg sprake geweest van een schending van het aanwezigheidsrecht van de verdachte en daarmee van een fundamenteel beginsel als neergelegd in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
Nu de verdediging uitdrukkelijk heeft verzocht om terugwijzing naar de rechtbank, zal het hof het vonnis waarvan beroep vernietigen en de zaak terugwijzen naar de rechtbank.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
wijst de zaak terug naar de rechtbank Oost-Brabant, teneinde met inachtneming van dit arrest opnieuw recht te doen.
Aldus gewezen door:
mr. R.G.A. Beaujean, voorzitter,
mr. A.C. Bosch en mr. T. van de Woestijne, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. L. van Harskamp, griffier,
en op 18 december 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.