Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2025:3625

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
24/251 en 24/252
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.6 Wet IB 2001Art. 3.92b Wet IB 2001Art. 3.95b lid 2 Wet IB 2001Art. 3.95b lid 5 Wet IB 2001Art. 4.6 Wet IB 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over toepassing doorstootregeling bij partieel buitenlandse belastingplicht

Belanghebbende, inwoner van Nederland in 2016 en 2018, koos voor partieel buitenlandse belastingplicht en hield via een buitenlandse vennootschap een lucratief belang. De inspecteur legde navorderingsaanslagen IB/PVV 2016 en 2018 op, welke belanghebbende betwistte. De rechtbank verklaarde het beroep 2016 ongegrond en het beroep 2018 gegrond, waarbij de aanslag 2018 werd verminderd.

In hoger beroep stelde het hof vast dat belanghebbende de doorstootregeling van artikel 3.95b, lid 5, Wet IB 2001 correct toepaste. Het hof oordeelde dat het criterium 'inkomen uit aanmerkelijk belang wordt genoten' ook geldt voor middellijk gehouden lucratieve belangen via buitenlandse holdings, ondanks dat deze niet in Nederland zijn gevestigd. Hierdoor is geen belastingheffing verschuldigd over de voordelen uit het lucratief belang in box 1 of box 2.

Het hof vernietigde de navorderingsaanslag 2016 en bevestigde de vermindering van de aanslag 2018. Tevens veroordeelde het hof de inspecteur tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. Het hof week hiermee af van een eerdere uitspraak van hof Amsterdam en bevestigde dat de wetgever bewust een heffingsvacuüm heeft geaccepteerd bij toepassing van de doorstootregeling in internationale situaties.

Uitkomst: Het hof vernietigt de navorderingsaanslag 2016 en bevestigt de vermindering van de aanslag 2018, waarbij de doorstootregeling terecht is toegepast.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 24/251 en 24/252
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ( [land] ),
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 5 januari 2024, nummer BRE 22/3569,
en op het hoger beroep van
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur,
en het incidenteel hoger beroep van belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank van 5 januari 2024, nummer BRE 22/3571,
in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) 2016 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
De inspecteur heeft de aanslag IB/PVV 2018 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de in 1.1 en 1.2 bedoelde belastingaanslagen en rentebeschikkingen bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep met nummer BRE 22/3569, betreffende de navorderingsaanslag IB/PVV 2016, ongegrond verklaard en het beroep met nummer BRE 22/3571 gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar voor het jaar 2018 vernietigd en de aanslag IB/PVV 2018 verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 979.927 en de daarmee samenhangende rentebeschikking dienovereenkomstig verminderd. De rechtbank heeft nevenbeslissingen gegeven met betrekking tot het verzoek om schadevergoeding, het griffierecht en de proceskosten.
1.5.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank voor zover deze betrekking heeft op nummer BRE 22/3569 hoger beroep ingesteld bij het hof, bij het hof bekend onder nummer 24/251. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.6.
De inspecteur heeft tegen de uitspraak van de rechtbank voor zover deze betrekking heeft op nummer BRE 22/3571 hoger beroep ingesteld bij het hof, bij het hof bekend onder nummer 24/252. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
1.7.
Belanghebbende heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank voor zover deze betrekking heeft op nummer BRE 22/3571, bij het hof bekend onder nummer 24/252. De inspecteur heeft schriftelijk gereageerd op het incidentele hoger beroep.
1.8.
De inspecteur heeft stukken ingezonden en daarbij een beroep gedaan op artikel 8:29 Algemene Pro wet bestuursrecht.
1.9.
Het hof heeft de onderhavige zaken in handen gesteld van de geheimhoudingskamer van het hof.
1.10.
De geheimhoudingskamer heeft tussenuitspraak [1] gedaan op 18 december 2024. De geheimhoudingskamer verstaat dat de door de inspecteur aangevoerde redenen voor geheimhouding van delen van de in 1.8 bedoelde stukken gerechtvaardigd is en heeft de zaken verwezen naar de kamer die de hoofdzaak behandelt en het procesdossier in handen van die kamer gesteld.
1.11.
Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de andere partij.
1.12.
De zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] , als gemachtigden van belanghebbende, tot bijstand vergezeld van [naam 1] en [naam 2] en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] . Op deze zitting zijn beide zaken gelijktijdig behandeld.
1.13.
Belanghebbende heeft tijdens de zitting twee pleitnota’s voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.
1.14.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
1.15.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende is in 2015 als CFO in dienst getreden bij [bedrijf 1] B.V. in Nederland.
2.2.
Belanghebbende heeft van 18 mei 2015 tot en met 2018 in Nederland gewoond.
2.3.
De inspecteur heeft een beschikking gegeven waaruit volgt dat belanghebbende met ingang van 1 augustus 2015 in aanmerking komt voor toepassing van de 30%-regeling [2] .
2.4.
Belanghebbende heeft uit hoofde van zijn dienstbetrekking bij [bedrijf 1] B.V. geparticipeerd in het [plan] (hierna: [plan] ). Door deze participatie heeft belanghebbende op 23 december 2015 aandelen in [de holding] S.A. (hierna: de holding [3] ) verkregen. De holding is gevestigd in [vestigingsplaats] . De aandelen in de holding vormen een aanmerkelijk belang in de zin van artikel 4.6 Wet IB 2001.
2.5.
De holding houdt aandelen in [bedrijf 2] S.A. De door belanghebbende middellijk gehouden aandelen in [bedrijf 2] S.A. kwalificeren als lucratief belang in de zin van artikel 3.92b Wet IB 2001.
2.6.
De holding heeft in 2016 € 2.499.999 dividend uitgekeerd aan belanghebbende en daarbij € 375.000 dividendbelasting ingehouden.
2.7.
Belanghebbende heeft, samen met andere participanten van [plan] , op 14 december 2016 een vaststellingsovereenkomst met de Belastingdienst gesloten.
2.8.
Belanghebbende heeft op 8 mei 2017 aangifte IB/PVV 2016 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning, zijnde belastbaar loon, van € 611.178 en daarbij gekozen [4] voor toepassing van de regels voor buitenlandse belastingplichtigen.
2.9.
De aanslag IB/PVV 2016 is met dagtekening 3 augustus 2018, overeenkomstig de ingediende aangifte, vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 611.178.
2.10.
Op 15 maart 2018 zijn de door belanghebbende (indirect) gehouden aandelen in [bedrijf 2] S.A. verkocht. De verkoopprijs bedroeg € 22.720.895.
2.11.
Belanghebbende heeft op 30 april 2019 aangifte IB/PVV 2018 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning, zijnde belastbaar loon, van € 979.927 en daarbij gekozen [5] voor toepassing van de regels voor partieel buitenlandse belastingplichtigen.
2.12.
De inspecteur heeft op 26 augustus 2019 vanuit [bedrijf 1] het overzicht “ [bedrijf 1] [plan] - Overview of proceeds” ontvangen. In het overzicht zijn gegevens over de participatie van belanghebbende in [plan] vermeld. Het betreft de volgende gegevens:
Acquisition
Date
Sale
Date
Investment1
Total
Distributions2
Sale
Price
Total
Proceeds
Total Proceeds after investment
23-12-2015
28-9-2018
7.075.424
9.009.557
22.720.895
31.730.452
24.655.028
Distribution 2014
Distribution 2015
Distribution 2016 (…)
Distribution 2016 (…)
Distribution 2018 (…)
Total Distributions1
-
-
2.499.999
2.594.283
3.915.274
9.009.557
2.13.
De inspecteur heeft in het kader van de beoordeling van de aangiften IB/PVV 2016 en 2018 bij brief van 21 oktober 2019 vragen aan belanghebbende gesteld. Belanghebbende heeft daarop bij brief van 14 november 2019 gereageerd.
2.14.
De inspecteur heeft bij brief van 7 december 2021, met toelichting, aangekondigd dat hij een navorderingsaanslag IB/PVV 2016 zal opleggen. In de brief is vermeld dat de inspecteur zich op het standpunt stelt dat belanghebbende (middellijk) lucratief belang aandelen heeft en dat in verband daarmee in 2016 een bedrag van in totaal € 5.094.282 [6] dient te worden belast als resultaat uit overige werkzaamheden.
2.15.
De inspecteur heeft bij brief van 7 december 2021, met toelichting, aangekondigd van de ingediende aangifte IB/PVV 2018 af te gaan wijken. In de brief is vermeld dat de inspecteur zich op het standpunt stelt dat belanghebbende (middellijk) lucratief belang aandelen heeft en dat in verband daarmee in 2018 een bedrag van in totaal € 19.560.745 [7] dient te worden belast als resultaat uit overige werkzaamheden.
2.16.
De aanslag IB/PVV 2018 is met dagtekening 9 december 2021 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.540.672. Tevens is bij beschikking € 937.398 belastingrente in rekening gebracht.
2.17.
De navorderingsaanslag IB/PVV 2016 is met dagtekening 11 december 2021 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 5.705.460. Tevens is bij beschikking € 453.638 belastingrente in rekening gebracht.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil in het hoger beroep van belanghebbende met nummer 24/251 betreft het antwoord op de volgende vragen:
Heeft de inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd?
Is sprake van een nieuw feit in de zin van artikel 16 Algemene Pro wet inzake rijksbelastingen?
Heeft belanghebbende voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 3.95b, lid 5, Wet IB 2001 (hierna: de doorstootregeling)?
Heeft de inspecteur het vertrouwensbeginsel geschonden?
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de navorderingsaanslag IB/PVV 2016. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank voor zover deze betrekking heeft op nummer BRE 22/3569.
3.3.
Het geschil in het hoger beroep van de inspecteur met nummer 24/252 betreft het antwoord op de volgende vraag:
c. Heeft belanghebbende voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de doorstootregeling?
3.4.
Het geschil in incidenteel hoger beroep van belanghebbende met nummer 24/252 betreft het antwoord op de volgende vraag:
d. Heeft de inspecteur het vertrouwensbeginsel geschonden?
3.5.
De inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank voor zover deze betrekking heeft op nummer BRE 22/3571 en bevestiging van de uitspraak op bezwaar betreffende het jaar 2018. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank voor zover deze betrekking heeft op nummer BRE 22/3571.
3.6.
In hoger beroep is niet langer in geschil dat belanghebbende voor zowel 2016 als 2018 heeft gekozen voor toepassing van de doorstootregeling. [8]

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
4.0.
Vanwege proceseconomische redenen beantwoordt het hof eerst vraag c.
4.1.
Niet in geschil is dat belanghebbende voor zowel 2016 als 2018 heeft gekozen voor toepassing van artikel 2.6 Wet IB 2001 (zie 2.8 en 2.11). Dat betekent dat belanghebbende de regels van de hoofdstukken 4 en 5 Wet IB 2001 dient toe te passen, zoals die volgens hoofdstuk 7 Wet IB 2001 gelden voor buitenlandse belastingplichtigen (partieel buitenlandse belastingplicht). [9] Belanghebbende is dus in box 1 belastingplichtig voor zijn wereldinkomen en in box 2 en box 3 alleen voor zover hij binnenlands inkomen geniet als bedoeld in hoofdstuk 7 Wet IB 2001.
4.2.
Verder is niet in geschil dat de aandelen in [bedrijf 2] S.A. voor belanghebbende een middellijk gehouden lucratief belang vormen (zie 2.5) en dat belanghebbende voordelen met betrekking tot het lucratief belang heeft genoten ten bedrage van € 5.094.282 (2016) respectievelijk € 19.560.745 (2018). In geval van een middellijk gehouden lucratief belang wordt het resultaat met betrekking tot het lucratief belang niet later genoten dan ingeval het vermogensbestanddeel onmiddellijk zou zijn gehouden. [10] Omdat belanghebbende in box 1 belastingplichtig is voor zijn wereldinkomen, zijn deze voordelen in 2016 en 2018 - als uitgangspunt - dus belastbaar als resultaat uit overige werkzaamheden. [11] In geschil is of ter zake van deze voordelen de doorstootregeling van toepassing is.
4.3.
De doorstootregeling is neergelegd in artikel 3.95b, lid 5, Wet IB 2001, waarin het volgende is bepaald:
“Ingeval de belastingplichtige daarvoor
kiest, worden de in een kalenderjaar genoten voordelen met betrekking tot middellijk gehouden vermogensbestanddelen die tot een werkzaamheid als bedoeld in artikel 3.92b behoren, niet tot het resultaat van een werkzaamheid gerekend, mits in dat kalenderjaar tot een bedrag van ten minste 95% van die voordelen
inkomen uit aanmerkelijk belang wordt genotendat een weerspiegeling is van die voordelen.” (onderstreping hof).
4.4.
Met betrekking tot de doorstootregeling is niet in geschil dat belanghebbende voor zowel 2016 als 2018 heeft gekozen voor toepassing van deze regeling (zie 3.6) en dat de holding ten minste 95% van de (lucratief belang-)voordelen aan belanghebbende heeft uitgekeerd. Uitsluitend is in geschil of in 2016 en 2018 “inkomen uit aanmerkelijk belang wordt genoten” in de zin van artikel 3.95b, lid 5, Wet IB 2001.
4.5.
Het hof stelt voorop dat de aandelen in de holding voor belanghebbende een aanmerkelijk belang in de zin van artikel 4.6 Wet IB 2001 vormen. Omdat belanghebbende in box 2 alleen belastingplichtig is voor zover hij binnenlands inkomen geniet (zie 4.1) en de holding niet in Nederland is gevestigd (zie 2.4), worden de voordelen uit dit aanmerkelijk belang niet in de belastingheffing (box 2) betrokken. De enkele omstandigheid dat geen belasting wordt geheven ter zake van het inkomen uit aanmerkelijk belang, rechtvaardigt echter nog niet de conclusie dat geen “inkomen uit aanmerkelijk belang wordt genoten”.
4.6.
Naar het oordeel van het hof bieden de grammaticale en wetssystematische uitleg uitkomst voor de benodigde uitleg van het criterium dat “inkomen uit aanmerkelijk belang wordt genoten”. Uitgaande van deze wetsinterpretatie dient het criterium dat “inkomen uit aanmerkelijk belang wordt genoten” te worden ingevuld aan de hand van de artikelen 4.12, 4.43 en 4.46 Wet IB 2001. In deze artikelen is bepaald wat wordt verstaan onder “inkomen uit aanmerkelijk belang” (artikel 4.12 Wet IB 2001) en wanneer reguliere voordelen en vervreemdingsvoordelen uit aanmerkelijk belang worden geacht te zijn genoten (artikel 4.43 respectievelijk 4.46 Wet IB 2001). Inkomen uit aanmerkelijk belang omvat onder meer de voordelen die worden getrokken uit tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen (reguliere voordelen) [12] , waaronder dividend, en de voordelen die worden behaald bij de vervreemding van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen (vervreemdingsvoordelen) [13] . Reguliere voordelen worden geacht te zijn genoten op het tijdstip waarop zij zijn ontvangen, verrekend, ter beschikking gesteld, rentedragend geworden of vorderbaar en inbaar geworden. [14] Vervreemdingsvoordelen worden geacht te zijn genoten op het tijdstip van de vervreemding van het aanmerkelijk belang. [15] Doet zich één van deze gevallen voor, dan wordt inkomen uit aanmerkelijk belang genoten.
4.7.
Niet in geschil is dat belanghebbende in verband met het lucratieve belang in 2016 en 2018 dividenden heeft ontvangen (€ 5.094.282 respectievelijk € 3.915.274). Aangezien belanghebbende de dividenden in 2016 en 2018 heeft ontvangen, worden deze dividenden ingevolge artikel 4.43, lid 1, Wet IB 2001 in 2016 respectievelijk 2018 genoten. Ook is niet in geschil dat in 2018 de door belanghebbende indirect gehouden aandelen in [bedrijf 2] S.A. zijn verkocht (zie 2.10) en dat belanghebbende in verband daarmee een voordeel heeft behaald van € 15.645.471. Nu de verkoop van de aandelen in [bedrijf 2] S.A. een vervreemding van die aandelen is, wordt het met de verkoop van die aandelen behaalde voordeel ingevolge artikel 4.46 Wet IB 2001 in 2018 genoten. Derhalve is met betrekking tot de voordelen van € 5.094.282 (2016) en € 19.560.745 (2018) voldaan aan het criterium dat “inkomen uit aanmerkelijk belang wordt genoten” in de zin van artikel 3.95b, lid 5, Wet IB 2001. Dat leidt tot de conclusie dat belanghebbende terecht de doorstootregeling heeft toegepast. Omdat belanghebbende de doorstootregeling terecht heeft toegepast, worden deze (lucratief belang)voordelen in zoverre niet tot het resultaat uit overige werkzaamheden gerekend.
4.8.
De in 4.6 gegeven uitleg brengt in het onderhavige geval met zich dat de door belanghebbende genoten voordelen ten bedrage van € 5.094.282 (2016) respectievelijk € 19.560.745 (2018) niet in de belastingheffing worden betrokken. Gelet op de toepasbaarheid van de doorstootregeling vindt er geen belastingheffing in box 1 plaats (zie 4.7). Evenmin vindt belastingheffing in box 2 plaats (zie 4.5).
4.9.
Uit de wordingsgeschiedenis van de wet tot wijziging van enige belastingwetten (Belastingheffing excessieve beloningsbestanddelen) kan worden afgeleid of de wetgever dit rechtsgevolg heeft voorzien. Aan die geschiedenis kan - voor zover van belang - het volgende worden ontleend:
“De Orde vraagt of het bij de toepassing van deze regeling van artikel 3.95b, vijfde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 relevant is of het heffingsrecht ter zake van dat inkomen uit aanmerkelijk belang aan Nederland is toegewezen. Voor de nationaalrechtelijke vraag of voldaan wordt aan de in het vijfde lid van artikel 3.95b genoemde voorwaarde, is slechts relevant dat het daar bedoelde voordeel uit aanmerkelijk belang wordt genoten. Ook in gevallen waarin onder een belastingverdrag het heffingsrecht over inkomsten uit aanmerkelijk belang aan een andere verdragsluitende staat zijn toegewezen, wordt aan deze voorwaarde voldaan.” [16]
en
“Ten slotte stellen de leden van de fractie van het CDA onder d een vraag over de situatie waarin een buitenlands belastingplichtige een middellijk lucratief belang houdt via een in het buitenland gevestigde personal holding. De voordelen uit het lucratieve belang worden door de personal holding meteen voor meer dan 95% uitgekeerd aan de aandeelhouder. In tegenstelling tot wat de leden van de fractie van het CDA aannemen, houdt de belastingplichtige wel een aanmerkelijk belang in zijn personal holding, zij het geen aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap. De regeling als voorgesteld in artikel 3.95b, vijfde lid, van de Wet IB 2001 is daarom ook op deze situatie van toepassing. Van strijdigheid met het Europese recht lijkt dus geen sprake te zijn.” [17] .
Uit deze passages uit de wordingsgeschiedenis leidt het hof af dat de wetgever uitdrukkelijk onder ogen heeft gezien en heeft aanvaard dat toepassing van de doorstootregeling ertoe kan leiden dat voordelen uit het lucratief belang, in het bijzonder in internationaal verband, in het geheel niet in de Nederlandse belastingheffing worden betrokken. De samenloop van de regeling van de partiële buitenlandse belastingplicht en de doorstootregeling is een welbewuste keuze van de wetgever geweest. Weliswaar leidt keuze voor de doorstootregeling door een partiële buitenlandse belastingplichtige ertoe dat hij én geen resultaat uit overige werkzaamheden geniet én geen belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang geniet, maar dit strookt met wat de wetgever heeft bedoeld of voorzien. De wetgever heeft dus voorzien dat sprake kan zijn van een heffingsvacuüm.
4.10.
De inspecteur heeft nog gewezen op antwoorden van de Staatssecretaris van Financiën (Fiscaliteit en Belastingdienst) op vragen van Kamerlid [kamerlid] . De Staatssecretaris heeft het volgende geantwoord:
“Ik ben van mening dat in een dergelijke situatie niet aan de voorwaarden van de keuzeregeling van artikel 3.95b, vijfde lid, Wet IB 2001 kan worden voldaan. De doorstootverplichting vereist immers dat ten minste 95% van de voordelen die worden doorgestoten naar de aanmerkelijkbelanghouder worden “genoten”. Om op grond van de Wet IB 2001 daadwerkelijk inkomen uit aanmerkelijk belang te genieten, is het nodig om binnenlands of buitenlands belastingplichtige te zijn op grond van die wet. Door de keuze voor de partiële buitenlandse belastingplicht op grond van artikel 2.6 Wet IB 2001 wordt de desbetreffende belastingplichtige enkel voor box 2 en box 3 in de Nederlandse inkomstenbelasting betrokken, als hij Nederlands inkomen geniet. Ten aanzien van box 2 is het Nederlandse inkomen een aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap. In de desbetreffende casus is daar geen sprake van, doordat de vennootschap juist niet in Nederland is gevestigd. De voordelen die worden verkregen uit die vennootschap behoren daardoor niet tot het inkomen uit aanmerkelijk belang, waardoor ook niet kan worden voldaan aan de doorstootverplichting als bedoeld in artikel 3.95b, vijfde lid, Wet IB 2001. Er zijn geen gegevens beschikbaar over hoe vaak deze situatie voorkomt. Een (middellijk) lucratief belang wordt namelijk niet afzonderlijk opgegeven in de aangifte inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting.”. [18]
Deze mededelingen heeft de Staatssecretaris echter niet gedaan in de hoedanigheid van wetgever en kunnen derhalve geen licht werpen op de bedoelingen van de wetgever.
4.11.
Gelet op het vorenstaande is de door het hof gegeven uitleg aan het criterium dat “inkomen uit aanmerkelijk belang wordt genoten” in de zin van artikel 3.95b, lid 5, Wet IB 2001 (zie 4.6) dus niet in strijd met doel en strekking van de wet. Wetshistorische interpretatie noopt dus niet tot een andere uitleg van dat criterium dan de grammaticale en wetssystematische uitleg.
4.12.
Gelet op het vorenstaande beantwoordt het hof vraag c bevestigend. Het hof wijkt hiermee af van de uitspraak van hof Amsterdam 3 juli 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:1746.
4.13.
Gelet op de bevestigende beantwoording van vraag c is niet in geschil dat de navorderingsaanslag IB/PVV 2016 moet worden vernietigd en dat de rechtbank de aanslag IB/PVV 2018 terecht heeft verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 979.927. Derhalve behoeven de vragen a, b en d geen beantwoording.
Tussenconclusie
4.14.
De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende gegrond is en dat het hoger beroep van de inspecteur ongegrond is.
4.15.
Aangezien het incidentele hoger beroep niet strekt tot verkrijging van een voor belanghebbende gunstiger resultaat dan al voortvloeit uit de uitspraak van de rechtbank, is dat beroep kennelijk alleen ingesteld voor het geval het principale hoger beroep tot vernietiging van die uitspraak zou leiden. Dat geval doet zich niet voor, zodat het incidentele hoger beroep gelet op artikel 8:112, lid 2, Awb, vervalt. [19]
Ten aanzien van het griffierecht
4.16.
De inspecteur dient aan belanghebbende het bij de rechtbank ter zake van de zaak met nummer 22/3569 en het bij het hof betaalde griffierecht van € 50 respectievelijk € 138 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank met nummer 22/3569 wordt vernietigd en dat beroep gegrond had moeten worden verklaard. Het hof laat de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de vergoeding van het griffierecht in de zaak met nummer 22/3571 in stand.
4.17.
De griffier heft van de inspecteur een griffierecht van € 559, omdat het hof de uitspraak van de rechtbank met nummer 22/3571 bevestigt.
Ten aanzien van de proceskosten
4.18.
Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep met nummer 24/251 gegrond is en het door de inspecteur ingestelde hoger beroep met nummer 24/252 ongegrond is.
4.19.
Daarbij wordt uitgegaan van twee samenhangende zaken waarin belanghebbende geheel of gedeeltelijk in het gelijk is gesteld.
4.20.
Het hof stelt deze tegemoetkoming op 3,5 (punten) [20] x € 907 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) x 1 (factor samenhangende zaken) is in totaal € 3.174,50.
4.21.
Het hof laat de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de vergoeding van de kosten van bezwaar en het beroep in stand. Deze vergoeding moet naar het oordeel van het hof niet alleen geacht worden betrekking te hebben op de zaak met nummer 22/3571, maar ook op die met nummer 22/3569, omdat beide zaken samenhangend zijn.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep van belanghebbende met nummer 24/251 gegrond;
  • verklaart het hoger beroep van de inspecteur met nummer 24/252 ongegrond;
  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar alleen voor zover deze betrekking heeft op de ongegrondverklaring van het beroep voor het jaar 2016;
  • verklaart het tegen de uitspraken op bezwaar betreffende de navorderingsaanslag IB/PVV 2016 en de daarmee samenhangende rentebeschikking bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraken op bezwaar betreffende de navorderingsaanslag IB/PVV 2016 en de daarmee samenhangende rentebeschikking;
  • vernietigt de navorderingsaanslag IB/PVV 2016;
  • vernietigt de met de navorderingsaanslag IB/PVV 2016 samenhangende rentebeschikking;
  • bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank in de zaak met nummer 22/3569 en het hoger beroep bij het hof met nummer 22/251 van, in totaal, € 188 vergoedt;
  • veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij het hof van € 3.174,50.
De uitspraak is gedaan door T.A. Gladpootjes, voorzitter, C.W.M.M. Verkoijen en J.J. van den Broek, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De uitspraak is ondertekend door de griffier en door C.W.M.M. Verkoijen, aangezien de voorzitter is verhinderd deze te ondertekenen.
De griffier, Het oudste lid,
M.M. Stassen-Kanters C.W.M.M. Verkoijen
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

2.Artikel 31a, lid 2, letter e, Wet op de loonbelasting 1964.
3.Er heeft in 2016 een herstructurering plaatsgehad, waardoor vennootschappen zijn opgericht, geliquideerd of verhangen. Deze wijzigingen hebben geen relevantie voor het onderhavige geschil. Dit geldt ook voor de fiscale vestigingsplaatsen van de betrokken vennootschappen. In het kader van de leesbaarheid wordt in deze uitspraak onder de holding tevens verstaan: de vennootschap, waarin belanghebbende na de herstructurering aandelen heeft gehad.
4.Artikel 2.6 Wet IB 2001 (tekst 1 januari 2011 tot 1 januari 2019).
5.Artikel 2.6 Wet IB 2001 (tekst 1 januari 2011 tot 1 januari 2019).
6.€ 2.499.999 + € 2.594.283.
7.€ 3.915.274 + (€ 22.720.895 - € 7.075.424).
8.De inspecteur heeft ter zitting van het hof verklaard dat hij zich niet langer op het standpunt stelt dat belanghebbende voor 2016 niet heeft gekozen voor toepassing van de doorstootregeling.
9.Artikel 11, lid 1, Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001.
10.Artikel 3.95b, lid 2, Wet IB 2001.
11.Artikel 3.92b Wet IB 2001.
12.Artikel 4.12, letter a, Wet IB 2001.
13.Artikel 4.12, letter b, Wet IB 2001.
14.Artikel 4.43, lid 1, Wet IB 2001.
15.Artikel 4.46, lid 1, Wet IB 2001.
16.Kamerstukken II 2007-2008, 31 459, nr. 9, blz. 23.
17.Kamerstukken I 2008-2009, 31 459, nr. C, blz. 19.
18.Kamerstukken II 2022-2023, 979, aanhangsel, blz. 4-5.
19.Zie Hoge Raad 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:669.
20.1 punt voor hogerberoepschrift (zaak 24/251), 1 punt voor het verweerschrift (zaak 24/252), 1 punt voor het verschijnen op de zitting, 0,5 punt voor de schriftelijke zienswijze op het artikel 8:29-Awb-verzoek, zie Besluit proceskosten bestuursrecht.