Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2025:3623

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
23/1845
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:115 AwbArt. 8:75 AwbArtikel 225, lid 1, GemeentewetArtikel 225, lid 2, Gemeentewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep ongegrond tegen naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens niet-betaling op parkeerterrein

Belanghebbende parkeerde op 20 april 2022 op een terrein waar achteraf betaald parkeren geldt via een camerasysteem. Hij betaalde parkeerbelasting via een app voor een andere zone, niet voor het betreffende terrein. De heffingsambtenaar legde een naheffingsaanslag op wegens niet-betaling op het terrein.

Belanghebbende voerde aan dat hij niet geparkeerd had en dat de naheffingsaanslag onterecht was. Het hof stelde vast dat de auto tussen 08:54 en 11:02 uur op het terrein aanwezig was, wat voldoende bewijs is voor parkeren. De onderzoeksplicht rust op belanghebbende om te weten hoe te betalen; de app was op dat moment niet beschikbaar voor het terrein en er was duidelijke bebording aanwezig.

De rechtbank en het hof oordeelden dat de betaalde parkeerbelasting voor de andere zone niet verrekend hoeft te worden met de naheffingsaanslag. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 23/1845
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg (hierna: de rechtbank) van 18 december 2023, nummer ROE 23/388, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen Limburg,
hierna: de heffingsambtenaar.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof.
1.5.
Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn via Mijn Rechtspraak doorgestuurd naar de andere partij.
1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 26 september 2025 in ’s-Hertogenbosch. Voor de zitting hebben belanghebbende en zijn gemachtigde schriftelijk laten weten dat zij niet ter zitting zullen verschijnen. Namens de heffingsambtenaar zijn [heffingsambtenaar 1] en [heffingsambtenaar 2] verschenen. De heffingsambtenaar heeft tijdens de zitting kopieën overgelegd van foto’s.
1.7.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. Het hof heeft vervolgens het vooronderzoek hervat en belanghebbende in de gelegenheid gesteld om schriftelijk te reageren op de door de heffingsambtenaar ter zitting overlegde foto’s, die via Mijn Rechtspraak met belanghebbende zijn gedeeld. Belanghebbende heeft schriftelijk gereageerd.
1.8.
Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een nadere zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen schriftelijk medegedeeld dat het onderzoek is gesloten.

2.Feiten

2.1.
Op 20 april 2022 om 08:54 uur is belanghebbendes auto, met kenteken [kenteken] (hierna: de auto), het parkeerterrein aan [adres] in [plaats] (hierna: het parkeerterrein) opgereden en om 11:02 uur is belanghebbendes auto van het betreffende parkeerterrein afgereden. Op de betreffende locatie geldt achteraf betaald parkeren, wat middels een camerasysteem wordt geregeld. Tijdens een controle is geconstateerd dat belanghebbende voor het betreffende parkeerterrein geen parkeerbelasting heeft voldaan.
2.2.
Naar aanleiding van bovenvermelde constatering is aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 66,80, bestaande uit een bedrag aan belasting van € 1,50 en kosten naheffing van € 65,30 (hierna: de naheffingsaanslag).

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
In geschil is of de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en van de naheffingsaanslag. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Vooraf
4.0.
Volgens partijen is de zitting bij de rechtbank in deze zaak eerder aangevangen dan gepland, waardoor de juridisch adviseur van de heffingsambtenaar niet aanwezig kon zijn. De juridisch adviseur had zich op de zittingsdatum tijdig bij de rechtbank gemeld. Een eerdere zitting bij de rechtbank, waarbij de taxateur van de heffingsambtenaar aanwezig was, eindigde eerder dan gepland. Deze zaak is vervolgens direct behandeld, zonder na te gaan of de juridisch adviseur inmiddels aanwezig was. De heffingsambtenaar heeft de rechtbank daarom verzocht om deze zaak te heropenen. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen. In het proces-verbaal van de zitting is het volgende opgenomen:
“De rechter opent de zitting en stelt vast dat namens verweerder taxateur [naam] is verschenen. Deze gemachtigde verklaart dat hij inhoudelijk over deze zaak niets kan zeggen en dat er verder niemand zal verschijnen namens verweerder.”.
Het hof stelt vast dat partijen in hoger beroep niet hebben verzocht om de zaak terug te wijzen naar de rechtbank en aan het voorgaande geen conclusies hebben verbonden. Naar het oordeel van het hof hoeft de zaak niet opnieuw door de rechtbank te worden behandeld. Het hof zal de zaak daarom zelf afdoen (artikel 8:115, lid 1, letter b, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)).
Ten aanzien van het geschil
Motiveringsbeginsel
4.1.
Belanghebbende stelt dat de heffingsambtenaar de uitspraak op bezwaar onvoldoende heeft gemotiveerd. Volgens belanghebbende is de heffingsambtenaar niet op alle elementen in het bezwaarschrift ingegaan.
4.2.
Naar het oordeel van het hof is geen sprake van een schending van het motiveringsbeginsel. De heffingsambtenaar is in de uitspraak op bezwaar immers ingegaan op de door belanghebbende aangevoerde argumenten. Zo heeft de heffingsambtenaar toegelicht dat uit onderzoek is gebleken dat belanghebbende via de app ParkMobile betaald heeft voor de locatie [locatie] (gebiedscode [code 1] ), maar stond geparkeerd aan [adres] waar alleen ‘camera parkeren’ geldt. Bij de ingang van het parkeerterrein staan geen slagbomen en kaartjesautomaten, maar camera’s die kentekens registeren en tijdelijk opslaan. Bij terugkomst moet het kenteken van de auto worden ingetoetst op de betaalautomaat en dan verschijnt het bedrag dat moet worden betaald. Als is betaald, dan wordt het kenteken direct verwijderd uit de database. Als niet is betaald, dan wordt automatisch een naheffingsaanslag gestuurd naar de eigenaar van het voertuig.
4.3.
Belanghebbende stelt dat de beslissing van de rechtbank ook niet voldoende is gemotiveerd en niet zorgvuldig tot stand is gekomen. Volgens belanghebbende is ten onrechte overwogen dat niet in geschil is dat sprake was van parkeren terwijl dat juist wel in geschil is, en is de beroepsgrond dat geen geparkeerde auto is geconstateerd daardoor ten onrechte niet behandeld. Hoewel belanghebbende in dit laatste kan worden gevolgd, leidt dit niet tot een gegrond hoger beroep zoals uit het hiernavolgende blijkt.
Parkeren
4.4.
Volgens belanghebbende heeft hij zijn auto niet geparkeerd. Op de foto’s is de auto rijdend te zien, aldus belanghebbende. De heffingsambtenaar voert aan dat er sprake is van parkeren. De auto van belanghebbende is door het camerasysteem op 20 april 2022 om 08:54 uur bij de ingang van het parkeerterrein geregistreerd en om 11:02 uur is de auto bij de uitgang van het parkeerterrein geregistreerd.
4.5.
Het hof overweegt als volgt. Uit de door de heffingsambtenaar overgelegde foto’s van het camerasysteem op het parkeerterrein die bij het verweerschrift in eerste aanleg zijn overgelegd (foto’s in het fiscale brondocument), blijkt dat de auto op 20 april 2022 om 08:54 uur het parkeerterrein is opgereden en om 11:02 uur het parkeerterrein is afgereden. Belanghebbende heeft het op- en afrijden ook niet betwist. De heffingsambtenaar heeft ter zitting verklaard dat er één ingang en één uitgang is voor het parkeerterrein. Het is dan ook aannemelijk dat de auto tussen 08:54 uur en 11:02 uur geparkeerd stond op het betreffende parkeerterrein. Daarnaast heeft belanghebbende bij zijn bezwaarschrift een afschrift van ParkMobile gevoegd waaruit blijkt dat belanghebbende parkeerbelasting heeft betaald op 20 april 2022 voor een nabij het parkeerterrein gelegen zone met als aanvangstijdstip 08:56 uur en als beëindigingstijdstip 11:00 uur ( [locatie] , gebiedscode [code 1] ). Deze tijdstippen sluiten aan bij de tijdstippen van de registratie van het camerasysteem op het parkeerterrein (inrijtijdstip 08:54 uur en uitrijtijdstip 11:02 uur). Niet gebleken is dat de auto het parkeerterrein tussentijds heeft verlaten. Het hof acht het op grond van dit alles dan ook voldoende aannemelijk dat de auto tussen 08:54 uur en 11:02 uur op het parkeerterrein geparkeerd stond.
Wet- en regelgeving
4.6.
Op basis van de Gemeentewet [1] kan in het kader van de parkeerregulering een belasting ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij de belastingverordening dan wel krachtens de belastingverordening in de daarin aangewezen gevallen door het college te bepalen plaats, tijdstip en wijze worden geheven. Onder parkeren wordt verstaan het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- en uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op de binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden. [2]
4.7.
Artikel 2 Verordening Pro op de heffing en de invordering van parkeerbelasting 2022 van de gemeente [plaats] (hierna: de Verordening) luidt:
“Onder de naam "parkeerbelastingen" worden de volgende belastingen geheven:
1. een belasting ter zake van het parkeren van een motorvoertuig op een bij, dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door het college van burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze;”
4.8.
Artikel 1 Aanwijzingsbesluit Pro parkeren 2022 van het college van de gemeente [plaats] (hierna: het Aanwijzingsbesluit) luidt:
“De plaatsen waar, het tijdstip en de wijze waarop tegen betaling van de parkeerbelastingen als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van de Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2022 mag worden geparkeerd vast te stellen zoals vermeld in de bij dit besluit behorende bijlage 1 "Plaatsen, tijdstip en wijze van betaald parkeren"”.
In bijlage 1 bij het Aanwijzingsbesluit is het volgende opgenomen, voor zover van belang:
“Plaats en tijdstip betaald parkeren.
A.
(…)
• Parkeerdek [adres] * (…)
* Op deze locaties geldt achteraf betaald parkeren. (…)
Wijze van betalen. (…)
2. Locaties waar achteraf betaald parkeren geldt, geregeld middels camerasysteem of slagbomen
Bij binnenkomst van het parkeerterrein, waarbij het terrein is voorzien van camera’s, wordt het kenteken van het voertuig geregistreerd. Men parkeert het voertuig en bij terugkomst bij het voertuig dient men het kenteken in te voeren bij de betaalautomaat. Op het scherm van de automaat verschijnt de verschuldigde parkeerbelasting, welke bij de automaat voldaan moet worden. Betalen kan door het inwerpen van muntstukken van € 0,10, € 0,20, € 0,50, € 1,00 of € 2,00 of door andere op de parkeerapparatuur aangegeven wijze zoals betaling middels bankpas al dan niet contactloos. Er dienen ten minste zoveel muntstukken in de parkeerapparatuur te worden geworpen als nodig om de verschuldigde parkeerbelasting te voldoen. Als de parkeerbelasting volledig is betaald, kan men het parkeerterrein verlaten, waar opnieuw het kenteken van het voertuig wordt geregistreerd.”.
Wijze van betaling
4.9.
De heffingsambtenaar heeft ter zitting toegelicht dat destijds op 20 april 2022 bij de ingang van het parkeerterrein bebording met informatie over de parkeertarieven en de betaling stond en op die manier duidelijk was aangegeven dat de wijze van betaling ‘betalen achteraf’ was. De heffingsambtenaar heeft in dit verband verwezen naar foto’s die als bijlage 3 bij het verweerschrift in eerste aanleg zijn overgelegd. De heffingsambtenaar heeft ook toegelicht dat de parkeerapp op 20 april 2022 nog niet werkte op het parkeerterrein, dat het pas vanaf 12 juli 2022 mogelijk was om op die locatie via de mobiel parkeren-app te betalen en dat daarna pas de bebording is aangepast (parkeerterrein met gebiedscode [code 2] ). De heffingsambtenaar heeft tijdens de zitting in hoger beroep aanvullende foto’s overgelegd van het parkeerterrein, die via Mijn Rechtspraak met belanghebbende zijn gedeeld.
4.10.
Het hof is van oordeel dat op belanghebbende de onderzoeksplicht rust om na te gaan hoe hij parkeerbelasting moet voldoen op het parkeerterrein. Belanghebbende moet gelet op het voorgaande de bebording bij het oprijden van het parkeerterrein gepasseerd zijn en moet hebben kunnen weten, althans moet hebben kunnen onderzoeken dat het op het parkeerterrein om achteraf betaald parkeren ging, zoals bepaald in de Verordening en het Aanwijzingsbesluit. De Verordening en het Aanwijzingsbesluit bevatte destijds niet de mogelijkheid van betalen via een mobiel parkeren-app, maar alleen de mogelijkheid om ter plekke bij de betaalautomaat achteraf contant of via een betaalpas te betalen.
4.11.
Volgens belanghebbende was er geen bebording waaruit bleek dat achteraf betaald parkeren gold en geven geen van de door de heffingsambtenaar overgelegde foto’s de situatie op 20 april 2022 weer. Belanghebbende kan hierin niet worden gevolgd.
De heffingsambtenaar heeft weliswaar geen foto’s van 20 april 2022 overgelegd, maar wel foto’s van 27 en 28 oktober 2021. Daarop staat een blauw vierkant bord met een witte rand, en daarbinnen een afbeelding van een hand die een muntstuk in een gleuf laat vallen en een witte pijl in de richting van een bord met tarieven. Daarnaast zijn foto’s overgelegd van 16 november 2022, met dezelfde bebording én een bord waarop gebiedscode [code 2] staat. Gelet op de data van deze foto’s, te weten een half jaar voorafgaand en ruim een half jaar na 20 april 2022, is niet aannemelijk dat de bebording op 20 april 2022 niet aanwezig was. De foto’s sluiten ook aan bij het betoog van de heffingsambtenaar dat het pas vanaf 12 juli 2022 mogelijk was om via de mobiel parkeren-app te betalen en dat de bebording daarna pas is aangepast (parkeerterrein met gebiedscode [code 2] ). Uit dit alles volgt dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat het voor belanghebbende duidelijk moest zijn dat op 20 april 2022 achteraf betaald parkeren gold. Los van de bebording moet het voor belanghebbende ook anderszins duidelijk zijn geweest dat betaling via een mobiele parkeerapp niet mogelijk was. Hij heeft zich immers op 20 april 2022 via ParkMobile aangemeld in een andere zone ( [locatie] , gebiedscode [code 1] ) dan waarin het parkeerterrein is gelegen ( [adres] ). Belanghebbende had, in plaats van zich aan te melden in de andere zone, moeten onderzoeken hoe hij op het parkeerterrein had moeten betalen door de bebording te raadplegen (zie 4.10). Tot slot kan de verwijzing van belanghebbende naar een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 10 april 2025 hem niet baten. [3] Het betreft een andere situatie. In die uitspraak was het gebruik van een parkeerapp mogelijk, maar daarvan is in dit geval geen sprake. De heffingsambtenaar heeft dan ook terecht de naheffingsaanslag aan belanghebbende opgelegd.
Verrekenen betaald bedrag
4.12.
Belanghebbende stelt dat de heffingsambtenaar het betaalde bedrag via ParkMobile voor de andere parkeerzone had moeten verrekenen met het bedrag van de naheffingsaanslag. De rechtbank heeft als volgt overwogen:
“8. De rechtbank is van oordeel dat een (mogelijke) verrekening van de parkeerbelasting
die eiser in de andere gebiedscode heeft betaald, in onderhavige zaak niet voorligt. De
naheffingsaanslag is opgelegd voor de locatie [adres] en vast staat dat eiser voor deze
locatie niet heeft betaald. Eiser heeft weliswaar betaald voor een andere locatie, maar dat is
geen onderdeel van de naheffingsaanslag. Voor zover eiser van mening is dat hij dit bedrag
onverschuldigd heeft betaald dan dient hij een vordering daarvoor in te dienen bij de
gemeente. De verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Zeeland West-Brabant kan niet
slagen nu het beroep in die zaak (ook) betrekking had op de verrekening, omdat verweerder
in die zaak (in tegenstelling tot onderhavige zaak) wel een bedrag had verrekend.”
Het hof is van oordeel dat deze overwegingen juist en op goede gronden gegeven zijn en maakt deze tot de zijne. Het hof deelt belanghebbendes opvatting niet dat op grond van de uitspraak van de Hoge Raad van 26 februari 2016 het betaalde bedrag via ParkMobile in mindering had moeten komen op de naheffingsaanslag. [4] In die uitspraak is overwogen dat de verschuldigde parkeerbelasting was betaald, ondanks dat een ander kenteken was vermeld dan het kenteken van het geparkeerde voertuig. Dit situatie doet zich in dit geval niet voor, er is immers geen sprake van het op de voorgeschreven wijze betalen van de parkeerbelasting.
Tussenconclusie
4.13.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.14.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.15.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb Pro.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door M.E. Smorenburg, voorzitter, L.B.M. Klein Tank en J.K. Lanser, in tegenwoordigheid van E.A.D. Dockx, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
E.A.D. Dockx M.E. Smorenburg
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Artikel 225, lid 1, aanhef en onder a, Gemeentewet.
2.Artikel 225, lid 2, Gemeentewet.
3.Rechtbank Noord-Holland, 10 april 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:7520.
4.HR 26 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:316.