Belanghebbende, exploitant van een kledingwinkel, betwistte de WOZ-waarde van het gehuurde pand in het centrum van een Nederlandse plaats, vastgesteld op €1.362.000 per 1 januari 2021. De heffingsambtenaar gebruikte de huurwaardekapitalisatiemethode, gebaseerd op een huurwaarde van €132.580 en een kapitalisatiefactor van 10,3, onderbouwd met een taxatierapport en marktgegevens.
Na bezwaar en beroep bij de rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde, stelde belanghebbende hoger beroep in. Het hof verklaarde het beroep aanvankelijk kennelijk niet-ontvankelijk, maar na verzet werd het beroep inhoudelijk behandeld. Belanghebbende stelde dat de huurprijs te hoog was, mede door coronamaatregelen die het klantenverlies veroorzaakten, en dat een lagere kapitalisatiefactor had moeten worden gehanteerd.
Het hof oordeelde dat de huurwaarde gebaseerd was op marktconforme transacties rond de waardepeildatum en dat de coronamaatregelen ook op vergelijkbare panden van toepassing waren. De gehanteerde kapitalisatiefactor was passend en mocht verschillen tussen taxatierapporten vertonen. Nieuwe feitelijke stellingen van belanghebbende werden buiten beschouwing gelaten wegens te late indiening. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Het hof zag geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch op 8 oktober 2025.