Belanghebbende, woonachtig in Duitsland en werkzaam in loondienst voor Nederlandse werkgevers, had leningen afgesloten voor de aankoop van zijn woning in Duitsland. De inspecteur legde navorderingsaanslagen IB/PVV op over de jaren 2016 tot en met 2018 en een aanslag over 2019, waarbij het negatieve saldo eigen woning niet werd erkend omdat de leningen niet als eigenwoningschuld kwalificeren.
Belanghebbende betwistte aanvankelijk de navordering en het hoorrecht, maar liet deze verweren in hoger beroep vallen. Het hof oordeelde dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de leningen voldeden aan de wettelijke criteria voor eigenwoningschuld, met name de contractuele verplichting tot annuïtaire aflossing binnen 360 maanden.
Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat de geautomatiseerde afhandeling van aangiften niet leidde tot een gerechtvaardigd vertrouwen in de aanvaardbaarheid van de aftrekposten. Het hof verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, zonder proceskostenveroordeling of griffierechtvergoeding.