Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant sub 1] ,
[appellant sub 2],
[appellant sub 3],
[appellant sub 4],
[appellant sub 5],
Schouwen-Duiveland,
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Op 7 november 2020 werd bij een huiszoeking in de woning van [persoon A] een kluis met € 73.170,00 aan contant geld aangetroffen, dat in beslag werd genomen. De Gemeente legde conservatoir en later executoriaal beslag op dit bedrag vanwege terugvordering van ten onrechte betaalde bijstand.
Appellanten, familie en relaties van [persoon A], stelden eigenaar te zijn van het geld dat zij in bewaring hadden gegeven bij [persoon A] en vorderden betaling van het bedrag van de Gemeente. De voorzieningenrechter wees hun vorderingen af omdat zij onvoldoende aannemelijk hadden gemaakt eigenaar te zijn gebleven van het geld en het spoedeisend belang ontbrak.
In hoger beroep bevestigde het hof dat appellanten niet voldoende bewijs leverden dat zij eigenaar waren gebleven, mede omdat verklaringen niet met objectief bewijs werden onderbouwd. Ook ontbrak een concreet spoedeisend belang en was er een groot restitutierisico. Het hof veroordeelde appellanten hoofdelijk in de proceskosten en bekrachtigde het vonnis van de voorzieningenrechter.
Uitkomst: Het hof wijst de vorderingen van appellanten af en veroordeelt hen hoofdelijk in de proceskosten.