ECLI:NL:GHSHE:2024:1764

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
27 mei 2024
Publicatiedatum
28 mei 2024
Zaaknummer
200.339.418_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wrakingsverzoek in het kader van getuigenverhoor met betrekking tot verdachte en medeverdachte

In deze zaak heeft de wrakingskamer van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 27 mei 2024 uitspraak gedaan over een wrakingsverzoek van de raadsheer-commissaris in het kader van een getuigenverhoor. De verzoeker, die gedetineerd is, heeft het verzoek ingediend naar aanleiding van de weigering van de raadsheer-commissaris om zijn raadsman toegang te verlenen tot het getuigenverhoor. De verzoeker was zowel verdachte in zijn eigen zaak als getuige in de zaak van medeverdachte [medeverdachte]. De wrakingskamer heeft de ontvankelijkheid van het verzoek beoordeeld en geconcludeerd dat de verzoeker recht had op een raadsman tijdens het getuigenverhoor, gezien zijn dubbele rol. De raadsheer-commissaris had in zijn schriftelijke reactie aangegeven dat de toegang tot de raadsman was ontzegd om te voorkomen dat de getuige beïnvloed zou worden. De wrakingskamer oordeelde echter dat deze motivering niet voldoende was om de afwezigheid van de raadsman te rechtvaardigen, en dat de verzoeker terecht vreesde voor een gebrek aan onpartijdigheid. De wrakingskamer heeft het verzoek tot wraking toegewezen, wat betekent dat de raadsheer-commissaris niet langer betrokken kan zijn bij de zaak.

Uitspraak

Wrakingskamer
Parketnummer : 20-002641-22
Reisnummer : 200.339.418/01
Uitspraak : 27 mei 2024
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van een wrakingsverzoek van het gerechtshof 's-Hertogenbosch
gegeven op het schriftelijke verzoek als bedoeld in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering van 27 maart 2024 in de zaak met parketnummer 20-002641-22, in hoger beroep aanhangig bij de meervoudige strafkamer van dit gerechtshof, ingediend door:
[de verzoeker]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,
thans gedetineerd in P.I. [PI] te [plaats] ,
hierna te noemen: ‘de verzoeker’,
strekkende tot wraking van mr. [de raadsheer-commissaris] , raadsheer-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, hierna te noemen: ‘de raadsheer-commissaris’.

1.Procesverloop

1.1.
Op 9 en 16 augustus 2023 heeft de meervoudige strafkamer van dit gerechtshof de hiervoor genoemde strafzaak tegen de verzoeker gelijktijdig, doch niet gevoegd, met de strafzaak tegen medeverdachte [medeverdachte] voor regie behandeld en de strafzaak tegen de verzoeker verwezen naar het kabinet van de raadsheer-commissaris in dit gerechtshof, teneinde onder andere [medeverdachte] als getuige te horen. De strafzaak tegen medeverdachte [medeverdachte] is eveneens verwezen naar het kabinet van de raadsheer-commissaris, teneinde de verzoeker als getuige te horen.
1.2.
Op 27 maart 2024 stond het verhoor van de verzoeker als getuige in de strafzaak van medeverdachte [medeverdachte] , alsmede het verhoor van medeverdachte [medeverdachte] als getuige in de strafzaak tegen de verzoeker, gepland.
1.3.
Op 26 maart 2024 is de raadsman van de verzoeker, mr. M.J. Lamers, per e-mail namens de raadsheer-commissaris bericht dat voor het getuigenverhoor van de verzoeker alleen mr. P.P.J. van der Meij – de raadsman van de medeverdachte – is uitgenodigd, en dat aan mr. Lamers geen toegang wordt verleend. Hetzelfde heeft te gelden voor het getuigenverhoor van medeverdachte [medeverdachte] in de strafzaak van de verzoeker; voor dat verhoor is alleen mr. Lamers uitgenodigd. Aan mr. Van der Meij wordt geen toegang verleend. Bij e-mailbericht van 26 maart 2024 heeft mr. Lamers een toelichting gevraagd op de motivering (zie hierna onder 3.2) voor de weigering van de toegang door de raadsheer-commissaris.
1.4.
Bij e-mailbericht d.d. 27 maart 2024 heeft mr. Lamers namens de verzoeker de wraking verzocht van de raadsheer-commissaris. Het geding is toen geschorst.
1.5.
De verzoeker is door het secretariaat van de wrakingskamer schriftelijk bericht dat zijn verzoek in behandeling is genomen.
1.6.
De advocaat-generaal mr. [advocaat-generaal] heeft aangegeven niet schriftelijk te zullen reageren op het wrakingsverzoek en ter terechtzitting van de wrakingskamer te zullen verschijnen.
1.7.
De raadsheer-commissaris heeft schriftelijk verklaard niet in de wraking te berusten. Hij heeft aangegeven ter terechtzitting van de wrakingskamer te zullen verschijnen en heeft tevens een schriftelijke reactie ingediend.
1.8.
De wrakingskamer heeft het verzoek ter openbare zitting van 13 mei 2024 behandeld. Daarbij zijn de raadsman van de verzoeker en de raadsheer-commissaris verschenen. De advocaat-generaal was door omstandigheden niet in de gelegenheid ter terechtzitting te verschijnen.
1.9.
Na de mondelinge behandeling heeft de voorzitter het onderzoek gesloten en medegedeeld dat de wrakingskamer op 27 mei 2024 uitspraak zal doen.

2.Ontvankelijkheid van het wrakingsverzoek

2.1.
Alvorens de wrakingskamer het wrakingsverzoek inhoudelijk zal kunnen beoordelen, ziet de wrakingskamer zich voor de vraag gesteld of de verzoeker ontvankelijk is in het wrakingsverzoek. De rechter-commissaris heeft zich immers in zijn schriftelijke reactie, alsmede ter terechtzitting van de wrakingskamer, op het standpunt gesteld dat het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk is, omdat aan de raadsman van een getuige niet het recht toekomt om een wrakingsverzoek in te dienen.
2.2.
De wrakingskamer overweegt dienaangaande als volgt.
2.3.
Op grond van het bepaalde in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan op verzoek van de verdachte of het Openbaar Ministerie elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2.4.
De verzoeker heeft in de strafzaak twee hoedanigheden, namelijk die van verdachte (in zijn eigen zaak) en die van getuige (in de zaak van medeverdachte [medeverdachte] ). De wraking is door de verzoeker verzocht in de hoedanigheid van verdachte.
2.5.
Naar het oordeel van de wrakingskamer kan de verzoeker worden ontvangen in het wrakingsverzoek, omdat de verzoeker optreedt als getuige in de strafzaak tegen de medeverdachte maar tegelijkertijd ook zelf verdachte is van hetzelfde feitencomplex. Daarbij overweegt de wrakingskamer dat het optreden van de verzoeker als getuige in de zaak van de medeverdachte gevolgen kan hebben voor zijn eigen strafzaak.
3.
Het verzoek en de motivering
3.1.
Ter onderbouwing van het verzoek tot wraking van de raadsheer-commissaris heeft de raadsman van de verzoeker aangevoerd dat het ontzeggen van de toegang van de raadslieden bij de verhoren van hun eigen cliënten (als getuige, maar in de zaak waarin zij zelf ook verdachte zijn), de motivering die de raadsheer-commissaris daar blijkens de mailwisseling aan heeft gegeven, en het uitblijven van iedere reactie op het verzoek van de raadsman tot nadere toelichting, bij de verzoeker strekt tot de vrees dat er bij de raadsheer-commissaris jegens de verzoeker vooringenomenheid bestaat ten aanzien van zijn betrokkenheid bij het feit waarvan hij wordt verdacht.
3.2.
De hiervoor bedoelde motivering van de raadsheer-commissaris is opgenomen in het door de griffier van de raadsheer-commissaris, namens de raadsheer-commissaris, verzonden e-mailbericht van 26 maart 2024 en luidt als volgt:
“Beide raadslieden zijn niet als raadsman aanwezig bij het verhoor van hun cliënt als getuige. Juist omdat de getuigen tevens verdachten zijn wordt in beide strafzaken iedere omstandigheid vermeden, welke zou kunnen worden beschouwd en aangeduid als een beïnvloeding van de getuige op een dusdanige wijze dat gesteld zou kunnen worden dat de getuige niet in vrijheid heeft verklaard. Om deze reden houdt de raadsheer-commissaris vast aan zijn beslissing dat geen raadslieden van de getuigen bij de verhoren aanwezig zijn.”.
3.3.
Tijdens de behandeling van het wrakingsverzoek ter terechtzitting van 13 mei 2024 heeft de raadsman van de verzoeker zich aangesloten bij het e-mailbericht van mr. P.P.J. van der Meij van 26 maart 2024 te 17.29 uur, inhoudende het verzoek tot wraking van de raadsheer-commissaris in de zaak van medeverdachte [medeverdachte] , en heeft de raadsman verzocht dit e-mailbericht als tevens verzonden in de onderhavige zaak te beschouwen. De wrakingskamer heeft daarmee ingestemd.
3.4.
Daarnaast heeft de raadsman van de verzoeker aanvullend nog het volgende naar voren gebracht. De ongebruikelijkheid van de beslissing van de raadsheer-commissaris om de raadsman de toegang tot het verhoor van de verzoeker als getuige te ontzeggen, de motivering van die beslissing, alsmede de samenhang hiertussen, hebben bij de verzoeker geleid tot de vrees dat sprake is van (de schijn van) vooringenomenheid. Het uitblijven van een reactie van de raadsheer-commissaris op het verzoek van de raadsman van de verzoeker om een nadere toelichting, alsmede het feit dat de
advocaat-generaal wel aanwezig mocht zijn bij het verhoor van de verzoeker als getuige, heeft een en ander nog versterkt.

4.Het standpunt van de raadsheer-commissaris

4.1.
De raadsheer-commissaris heeft in zijn schriftelijke reactie van 3 april 2024 kenbaar gemaakt niet te berusten in het verzoek tot wraking. Voorts heeft de
raadsheer-commissaris een schriftelijke reactie ingediend.
4.2.
De raadsheer-commissaris heeft zich in zijn schriftelijke reactie op het standpunt gesteld dat hij op grond van artikel 187c Sv de ordemaatregel heeft genomen dat de getuige wordt gehoord in de afwezigheid van zijn raadsman. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 187c Sv blijkt dat het verlenen van toegang mogelijk is gemaakt ten behoeve van begeleiders of advocaten van zwakke en/of kwetsbare slachtoffers/getuigen, en dus niet voor getuigen die tevens medeverdachte zijn.
4.3.
De raadsheer-commissaris heeft zijn beslissing om de raadsman van de verzoeker geen toegang tot het getuigenverhoor te verlenen in zijn schriftelijke reactie d.d. 3 april 2024 als volgt gemotiveerd:
“Doorgaans verleent de raadsheer-commissaris toegang tot de advocaat van de getuige maar daar is in dit specifieke geval van afgeweken gelet op de proceshouding tot dusverre van verdachte en diens medeverdachte en vanwege het feit dat – gelet op het verloop van de strafzaken in eerste aanleg – de relatie tussen verdachte en zijn medeverdachte over en weer mogelijk van (groot) belang kan zijn bij de beantwoording in hoger beroep van de vragen van 348 en 350 Sv. door de behandelende zittingscombinatie. De raadsheer-commissaris heeft met het nemen van de ordemaatregel willen bereiken dat niemand, noch de verdachte noch de medeverdachte, kan zeggen dat de (andere) getuige onjuist of niet alles heeft verklaard omdat zijn raadsman erbij zat.”.
4.4.
Tijdens de behandeling van het wrakingsverzoek ter terechtzitting van 13 mei 2024 heeft de raadsheer-commissaris dit standpunt herhaald.
4.5.
De raadsheer-commissaris maakt geen deel uit van de zittingscombinatie die het onderzoek ter terechtzitting behandelt.

5.Beoordeling van het wrakingsverzoek

5.1.
De wrakingskamer neemt, onder verwijzing naar de arresten van de Hoge Raad van 25 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1413 en ECLI:NL:HR:2018:1770), voor de beoordeling van de gegrondheid van het wrakingsverzoek het volgende tot uitgangspunt.
5.2.
Artikel 512 Sv voorziet in de mogelijkheid dat elk van de rechters die een zaak behandelen, wordt gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
5.3.
Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van rechterlijke onpartijdigheid in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM en artikel 14, eerste lid van het IVBPR, dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij deze dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
5.4.
Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken brengt met zich dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor een wraking. Wraking is immers geen verkapt rechtsmiddel tegen dergelijke beslissingen. De wrakingskamer komt derhalve geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing noch over het verzuim te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Wat betreft de motivering van de (tussen)beslissing geldt evenzeer dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zich ertegen verzet dat die motivering grond kan vormen voor wraking, ook indien het gaat om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de tussenbeslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven.
5.5.
Tegen deze achtergrond overweegt de wrakingskamer als volgt.
5.6.
De raadsheer-commissaris heeft zijn beslissing om de raadsman van de verzoeker geen toegang te verlenen tot het verhoor van de verzoeker als getuige in de strafzaak van de medeverdachte in zijn schriftelijke reactie d.d. 3 april 2024 als volgt gemotiveerd:
“Doorgaans verleent de raadsheer-commissaris toegang tot[de wrakingskamer begrijpt: aan]
de advocaat van de getuige maar is daar in dit specifieke geval van afgeweken gelet op de proceshouding tot dusverre van verdachte en diens medeverdachte en vanwege het feit dat – gelet op het verloop van de strafzaken in eerste aanleg – de relatie tussen verdachte en zijn medeverdachte over en weer mogelijk van (groot) belang kan zijn bij de beantwoording in hoger beroep van de vragen van 348 en 350 Sv. door de behandelende zittingscombinatie. De raadsheer-commissaris heeft met de ordemaatregel willen bereiken dat niemand, noch de verdachte noch de medeverdachte, kan zeggen dat de (andere) getuige onjuist of niet alles heeft verklaard omdat zijn raadsman erbij zat”.
5.7.
Uit de aangehaalde bewoordingen volgt dat de raadsheer-commissaris gewoonlijk toestemming verleent aan de advocaat van een getuige om het verhoor bij te wonen. Ter terechtzitting van de wrakingskamer heeft de raadsheer-commissaris dit bevestigd.
5.8.
De wrakingskamer begrijpt dat, door het afwijken van de gebruikelijke gang van zaken en de motivering die daarvoor door de raadsheer-commissaris is gegeven, bij de verzoeker de indruk is gewekt dat de raadsheer-commissaris vooringenomen was. De afwijzing van het verzoek van de advocaat van de getuige, tevens medeverdachte in de voorliggende strafzaak, om bij diens getuigenverhoor aanwezig te zijn, is een afwijking van de gebruikelijke gang van zaken, zoals ook door de raadsheer-commissaris naar voren is gebracht. Door de raadsheer-commissaris is voor deze afwijking een motivering gegeven die naar het oordeel van de wrakingkamer niet zonder meer begrijpelijk is. Bij het afleggen van een getuigenverklaring in de zaak van een medeverdachte is tevens de procespositie van de verzoeker als verdachte in het geding. In verband daarmee komt de verzoeker als getuige een verschoningsrecht toe. In een dergelijke situatie wordt het verzoek van de raadsman om bij het verhoor aanwezig te zijn in de regel toegestaan omdat dit een ingewikkelde procespositie is waarbij de verzoeker zijn raadsman nodig heeft, althans nodig kan hebben. De motivering dat de aanwezigheid van de raadsman niet wordt toegestaan zodat de medeverdachte niet kan zeggen dat de getuige (tevens verdachte) onjuist of niet alles heeft verklaard omdat zijn raadsman erbij zat, komt het hof, gezien de rol van de raadsman in het strafproces, niet begrijpelijk voor en maakt dat naar objectieve maatstaven de vrees niet ongerechtvaardigd is dat het de rechter bij de behandeling van de zaak jegens de verzoeker aan onpartijdigheid ontbreekt.
De erkenning door de raadsheer-commissaris in het proces-verbaal van bevindingen dat evident is dat beide verdachten zich per vraag mogelijk op hun verschoningsrecht kunnen beroepen en de raadsheer-commissaris de getuige(n) daarop gewezen zou hebben maakt het voorgaande niet anders.
5.9.
Het voorgaande leidt ertoe dat het wrakingsverzoek zal worden toegewezen.
BESLISSING
Het hof:
wijst toe het verzoek tot wraking van mr. [de raadsheer-commissaris] ;
beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan de verzoeker, de
raadsheer-commissaris mr. [de raadsheer-commissaris] en de advocaat-generaal.
Aldus gegeven te ’s-Hertogenbosch op 27 mei 2024 door mr. J.W. van Rijkom, voorzitter, mr. A.M.G. Smit en mr. C.M.J. Peters, leden, bijgestaan door mr. A. van Kaathoven, griffier.