Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 10079736 \ CV EXPL 22-4127)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- het tegen [geïntimeerde] verleende verstek;
- de memorie van grieven met producties 8 tot en met 12.
3.De beoordeling
- a. [geïntimeerde] is een van de 21 erfgenamen van haar op 3 april 2021 overleden tante mevrouw [persoon A] (hierna: erflaatster). Erflaatster had geen kinderen. Verder was erflaatster, zo begrijpt het hof, ten tijde van haar overlijden weduwe.
- b. Erflaatster heeft voor haar overlijden aan [geïntimeerde] verzocht om zorg te dragen voor een goede afwikkeling van haar nalatenschap.
- c. Tot de nalatenschap van erflaatster behoorde de woning aan het [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning).
- d. [appellant] heeft van de buren van erflaatster vernomen dat erflaatster was overleden en dat de woning te koop zou komen. [appellant] heeft vervolgens op aangeven van de buren contact opgenomen met [geïntimeerde] en een afspraak gemaakt voor een bezichtiging van de woning.
- e. De bezichtiging van de woning heeft op 28 januari 2022 plaatsgevonden. [appellant] heeft toen aan [geïntimeerde] gevraagd of zij gerechtigd was om de woning namens de erfgenamen te verkopen. [geïntimeerde] heeft daar bevestigend op geantwoord. Geen van partijen werd op dit moment bijgestaan door een makelaar of een andere deskundige.
- f. [appellant] heeft op 30 januari 2022 een bod gedaan van € 165.000,-- op de woning. [geïntimeerde] heeft dit bod na enige tijd aanvaard. Partijen hebben vervolgens afgesproken om de koopovereenkomst op 9 maart 2022 te ondertekenen.
- g. Op 9 maart 2022 zijn partijen bijeen gekomen. [geïntimeerde] heeft een koopovereenkomst meegenomen die zij van het internet had gehaald. Partijen hebben die koopovereenkomst toen handgeschreven ingevuld en ondertekend. Bij de koopovereenkomst heeft [geïntimeerde] de woning verkocht aan [appellant] voor een koopprijs van € 165.000,--.
- h. In de koopovereenkomst staat onder meer het volgende:
- i. Na ondertekening van de koopovereenkomst vernam [geïntimeerde] dat drie van de 21 erfgenamen het niet eens waren met de gesloten koopovereenkomst. Op 11 april 2022 heeft de door partijen betrokken notaris aan [appellant] laten weten dat [geïntimeerde] niet beschikkingsbevoegd was om de woning in eigendom aan hem over te dragen. Ook de belangenbehartiger van de familie heeft dit aan [appellant] meegedeeld. Door de beschikkingsonbevoegdheid van [geïntimeerde] kon [geïntimeerde] de woning niet aan [appellant] leveren.
- j. Op 10 mei 2022 heeft [appellant] een brief met als onderwerp “Ingebrekestelling” gestuurd aan [geïntimeerde] . In die brief staat onder meer het volgende:
- k. [geïntimeerde] heeft niet op voornoemde brief van [appellant] gereageerd.
- l. Op 21 juni 2022, 29 juni 2022 en 13 juli 2022 heeft de toenmalig gemachtigde van [appellant] brieven aan [geïntimeerde] gestuurd. Hierin heeft de gemachtigde namens [appellant] aanspraak gemaakt op de in artikel 11.2 van de koopovereenkomst genoemde contractuele boete ter hoogte van 10% van de overeengekomen koopsom.
- m. Ook op de brieven van de gemachtigde van [appellant] heeft [geïntimeerde] niet gereageerd.
- n. De woning is op 12 december 2022 verkocht en op 16 maart 2023 geleverd aan een derde voor een koopprijs van € 225.000,--.
- een hoofdsom van € 16.500,-- ter zake contractuele boete, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag dat de boete opeisbaar is;
- € 940,-- aan buitengerechtelijke kosten;
- Partijen verschillen van mening over het moment waarop de prestatie waartoe [geïntimeerde] zich op grond van de koopovereenkomst heeft verplicht, opeisbaar is geworden (rov. 4.3).
- Omdat partijen géén datum voor levering hebben afgesproken, is de vordering tot nakoming van de koopovereenkomst op grond van artikel 6:38 BW Pro terstond opeisbaar geworden. [appellant] mocht er daarom vanuit gaan dat [geïntimeerde] de woning kort na ondertekening van de koopovereenkomst aan hem zou (laten) leveren. Omdat [geïntimeerde] dat niet gedaan heeft, is zij tekortgeschoten in de nakoming van haar verbintenissen (rov. 4.4).
- [appellant] heeft dus terecht op grond van artikel 11 van Pro de koopovereenkomst een ingebrekestelling aan [geïntimeerde] gestuurd (rov. 4.5).
- [appellant] heeft voldoende tijd aan [geïntimeerde] gegeven om te bewerkstelligen dat zij de koopovereenkomst alsnog zou kunnen nakomen. [appellant] was dus gerechtigd om de koopovereenkomst te ontbinden. [geïntimeerde] heeft daarom de contractuele boete verbeurd (rov. 4.6).
- [appellant] heeft zijn schade onvoldoende onderbouwd, maar dit betekent niet dat [geïntimeerde] de contractuele boete niet hoeft te betalen. Gelet op de lastige financiële situatie van [geïntimeerde] leidt onverkorte toepassing van het boetebeding in dit geval tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat. De kantonrechter ziet daarin aanleiding om de contractuele boete te matigen tot € 1.000,-- (rov. 4.9).
- De buitengerechtelijke incassokosten waarvan [appellant] vergoeding vordert, moeten worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten. De vordering ter zake buitengerechtelijke incassokosten wordt daarom afgewezen (4.10).
- [geïntimeerde] veroordeeld om aan [appellant] € 1.000,-- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag met ingang van de dag van de inleidende dagvaarding;
- [geïntimeerde] in de proceskosten van het geding in conventie veroordeeld;
- het in conventie meer of anders gevorderde afgewezen.
- A. [geïntimeerde] heeft gesteld dat zij, omdat haar tante haar had verzocht om zorg te dragen voor een goede afwikkeling van haar nalatenschap, in de veronderstelling verkeerde dat zij gerechtigd was om de woning ten behoeve van de nalatenschap te verkopen en – naar het hof begrijpt – te leveren. [appellant] heeft niet gemotiveerd betwist dat [geïntimeerde] in die veronderstelling verkeerde. Hij heeft wel gesteld dat [geïntimeerde] beter onderzoek had moeten doen naar haar bevoegdheid om namens de erfgenamen op te treden, maar dat laat onverlet dat [geïntimeerde] op dit punt een onjuiste voorstelling van zaken had. Van kwade opzet van [geïntimeerde] is niet gebleken.
- B. [geïntimeerde] handelde toen [appellant] haar benaderde, tijdens de bezichtiging, toen zij het bod van [appellant] accepteerde en tijdens de ondertekening van de koopovereenkomst als particulier. Zij werd op de genoemde momenten niet bijgestaan door een makelaar, een adviseur met kennis van erfrecht of een andere deskundige.
- C. Het contact tussen partijen is tot stand gekomen op initiatief van [appellant] . [appellant] had van de buren van erflaatster gehoord dat erflaatster was overleden en dat de woning te koop zou komen. [appellant] heeft toen contact opgenomen met [geïntimeerde] voor een bezichtiging. Dit contact vond plaats voordat de woning door [geïntimeerde] of door iemand anders namens de erfgenamen te koop was gezet.
- D. [appellant] was op de hoogte was van het feit dat [geïntimeerde] geen eigenaar was van de woning maar slechts één van meerdere erfgenamen. [appellant] had daarom niet zonder meer mogen uitgaan van de juistheid van de mededeling van [geïntimeerde] dat zij bevoegd was om de woning te verkopen. Het moet voor [appellant] redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat [geïntimeerde] niet werd bijgestaan door iemand met deskundigheid op het gebied van erfrecht en/of de verkoop van woningen. [appellant] heeft kennelijk ook niet gevraagd om een machtiging van [geïntimeerde] waaruit bleek dat zij bevoegd was om de erfgenamen te vertegenwoordigen. In de koopovereenkomst staat ook niet dat [geïntimeerde] optrad namens de erfgenamen van erflaatster. Het heeft [appellant] redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat de koopovereenkomst in zoverre geen juist beeld gaf van de situatie. [appellant] heeft niet aangedrongen op het verkrijgen van schriftelijke zekerheid dat [geïntimeerde] bevoegd was om de overeenkomst namens de erfgenamen aan te gaan.
- E. De omstandigheid dat de woning uiteindelijk op 12 december 2022 (dus 9 maanden na de tussen [appellant] en [geïntimeerde] gesloten koopovereenkomst) is verkocht aan een derde voor € 225.000,--, wijst erop dat de prijs van € 165.000,-- die [appellant] met [geïntimeerde] is overeengekomen, erg laag, althans aan de lage kant is voor de woning. Ook om die reden had [appellant] rekening moeten houden met de mogelijkheid van bezwaren van andere erfgenamen tegen de transactie.
- F. De contractuele boete heeft in de gegeven omstandigheden niet de functie van aansporing van de schuldenaar tot nakoming van de koopovereenkomst. [geïntimeerde] was, op het moment dat [appellant] de ontbinding van de koopovereenkomst inriep, eenvoudigweg niet in staat om de koopovereenkomst na te komen, aangezien niet alle erfgenamen daarmee instemden. De aansporing van [geïntimeerde] tot nakoming van de overeenkomst in de vorm van de contractuele boete, deed daar niet aan af. De contractuele boete kon dus haar functie van prikkel tot nakoming niet goed vervullen.
- Explootkosten € 129,85
- Griffierechten € 783,--
- Salaris advocaat € 858,-- (1 punt x tarief I)
- Nakosten € 178,-- (plus de verhoging zoals vermeld in de