In deze civiele zaak stond de vraag centraal of de scheidsmuur tussen de woningen van appellant en geïntimeerden mandelig is en of geïntimeerden onrechtmatig hebben gehandeld door zonder overleg werkzaamheden uit te voeren die de scheidsmuur feitelijk verlagen.
Het hof heeft overwogen dat appellant de bewijslast draagt voor de mandeligheid van de muur, maar hij zag af van deskundigenonderzoek, waardoor niet kon worden vastgesteld dat de muur mandelig is. De vorderingen gebaseerd op mandeligheid zijn daarom afgewezen. Wel is geoordeeld dat geïntimeerden onrechtmatig hebben gehandeld door zonder overleg de achtertuin te verhogen, waardoor de scheidsmuur feitelijk onder de twee meter is gekomen.
Het hof vernietigde het vonnis voor zover de vorderingen over de ophoging van de scheidsmuur waren afgewezen en veroordeelde geïntimeerden om op eigen kosten de scheidsmuur te verhogen tot twee meter, gemeten vanuit hun tuin, binnen drie maanden na betekening van het arrest. Tevens werd een dwangsom van €250 per dag met een maximum van €7.500 opgelegd bij niet-naleving.
De proceskosten in eerste aanleg en hoger beroep werden gecompenseerd, zodat iedere partij haar eigen kosten draagt. Voor het overige werden de vonnissen van de rechtbank bekrachtigd.