Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/251678 / HA ZA 18-323)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep van 23 september 2022;
- de memorie van grieven (met producties);
- de memorie van antwoord (met producties);
3.De beoordeling
- dat voor de vorderingen in conventie primair betekenis toekomt aan de vraag of de op 21 februari 2018 gesloten VSO rechtsgeldig is, aangezien die VSO de bron is voor de beëindiging van het statutair bestuurderschap van [appellant] en van de arbeidsrechtelijke verhouding tussen [de B.V. 1] en [appellant] ;
- dat het beroep van [appellant] op nietigheid of vernietigbaarheid van de VSO op grond van een wilsgebrek faalt; dat [appellant] niet heeft geconcretiseerd op welk wilsgebrek hij zich beroept en onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit van enig wilsgebrek kan blijken;
- dat [appellant] weinig meer heeft aangevoerd dan dat hij onder druk zou zijn gezet door dreiging met aangifte van (naar de rechtbank begreep) boekhoudfraude maar daarvoor geen details heeft verstrekt, hetgeen temeer kwalijk is nu vaststaat dat over de VSO gedurende anderhalve week is onderhandeld en [appellant] daarbij door een advocaat werd bijgestaan;
- dat voor een buiten toepassing laten van één of meer gevolgen van de VSO op grond van de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid door [appellant] evenmin concrete feiten en omstandigheden zijn aangevoerd;
- dat alle vorderingen van [appellant] daarop stranden; (r.o. 5.2 vs rb)
- dat de vordering in reconventie strekt tot betaling door [appellant] van zijn rekening-courantschuld aan [de B.V. 1] ;
- dat de curator ter onderbouwing van de gestelde schuld van € 370.918,31 (incl. 6% rente tot 21 juli 2021) een overzicht heeft overgelegd van het verloop van de rekening-courant vanaf ultimo 2015;
- dat [appellant] de stand per 31 december 2015, de gestelde overeengekomen rente en de in het overzicht vermelde mutaties onvoldoende gemotiveerd heeft betwist en de vordering in reconventie daarom toewijsbaar is.
(i) een email van hem aan zijn advocaat van 21 februari 2018 (prod. 2 mvg) waarin hij schrijft:
‘(.. …kan ik niet tegen, omgaan met de druk die dit meebrengt Ik was er al bang voor dat er een hele bak met ellende over mij uitgestort zou gaan worden. Ik wil mij kunnen concentreren op een nieuwe toekomst en dat kan ik met deze stress niet opbrengen. (…) Naar mijn gevoel is het beste van 2 slechte om de huidige vaststellings overeenkomst te tekenen en het addendum zodat u dit morgen mee kunt nemen naar de AVA. (..)’en
(ii) de reactie daarop van zijn advocaat bij email van dezelfde datum, inhoudende:
‘(..) Jij bent degene die weet wat er precies heeft gespeeld. Uiteindelijk is de beslissing of je de vaststellingsovereenkomst en addendum wilt ondertekenen louter door jou te nemen. Ik wijs erop dat bijvoorbeeld, ook als je de overeenkomst tekent, toch aangifte tegen je gedaan zou kunnen worden en een schadeclaim tegen je ingesteld kan worden wat naar alle verwachting ook wel zal gebeuren. (..) Deze opsomming van nadelen is niet volledig en maandag j.l. spraken we uitgebreid over de voor jou ongunstige bepalingen in de vaststellingsovereenkomst. Een van de weinige voordelen die ik zie is dat de rekening courantschuld niet meteen wordt ingevorderd hetgeen je misschien (maar dat is niet zeker) in de gelegenheid stelt met [persoon] in het reine te komen en tzt een (betalings)regeling te treffen (..)’.