De zaak betreft een hoger beroep in een civiele procedure over de aansprakelijkheid van een werknemer voor kassafraude bij een tankstation. De werknemer was in dienst bij de exploitatiemaatschappij en werd strafrechtelijk veroordeeld voor verduistering en diefstal. De verzekeraar van de werkgever betaalde een schadevergoeding minus een eigen risico, terwijl de werkgever een aanvullende schadevergoeding vorderde.
De werkgever stelde dat de werknemer onrechtmatig handelde en daardoor schade had veroorzaakt, bestaande uit het eigen risico en schade aan rookwaar. De werknemer erkende zijn onrechtmatig handelen, maar betwistte de omvang van de schade en voerde aan dat de uitkering van de verzekeraar hoger was dan de werkelijk geleden schade, waardoor verrekening zou moeten plaatsvinden.
Het hof oordeelde dat de schadeberekening door deskundigen voldoende onderbouwd was met rapporten van een particulier onderzoeksbureau en een expertisebedrijf. Het beroep van de werknemer op verrekening met een vermeend voordeel faalde omdat hij dit niet voldoende had onderbouwd. Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter en veroordeelde de werknemer tot betaling van de proceskosten in hoger beroep.