Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[geïntimeerde 1] ,wonende te [woonplaats] ,
[geïntimeerde 2] ,wonende te [woonplaats] ,
[geïntimeerde 3] ,wonende te [woonplaats] ,
[geïntimeerde 4] ,
1. Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummers C/02/355323/HA ZA 19-115 en C/02/355316/HA ZA 19/114)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven, tevens houdende eiswijziging, tevens houdende voorwaardelijke incidentele vorderingen ex artikel 843a Rv, met producties 1 tot en met 17;
- de memorie van antwoord, tevens akte vermeerdering van eis, tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep en antwoord in het incident, met producties 1 tot en met 3;
- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep, met producties 18 tot en met 20;
- de mondelinge behandeling, waarbij partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd;
- de bij H12-formulier van 10 februari 2023 door [appellant] toegezonden producties 21 en 22, die bij de mondelinge behandeling in het geding zijn gebracht.
- de bij H3-formulier van 16 februari 2023 door [geïntimeerden] toegezonden producties 4 tot en met 8, die [geïntimeerden] bij de mondelinge behandeling bij akte in het geding heeft gebracht.
3.De beoordeling
“In het gesprek met mijn adviseur heeft U aangegeven niet te beschikken over mijn privé bankrekeningnummer. Bij deze deel ik U mede dat al hetgeen mij toekomt vanaf 2007 alleen op mijn privé bankrekeningnummer (…) dient over te worden geschreven”.Dit kwalificeert naar het oordeel van het hof niet als een vordering tot nakoming in de vorm van uitkering van het aan [appellant] als deelgenoot toekomende aandeel in de opbrengsten. [appellant] geeft uitsluitend aan op welke wijze ‘hetgeen hem toekomt’ moet worden betaald. Dat hij vanaf dat moment ook feitelijk aanspraak maakt op een (jaarlijkse) uitkering van zijn aandeel, blijkt daaruit niet of althans niet voldoende. De verbintenis waarvan nakoming zou worden gevorderd is ook niet gespecificeerd. Ook in de andere door [appellant] geciteerde brieven is geen vordering tot nakoming te lezen, nu dit uitsluitend verzoeken om informatie over en inzicht in de gezamenlijke inkomsten en uitgaven betreffen. Daarbij komt dat [appellant] niet heeft weersproken dat hij [geïntimeerde 1] en [appellant] dienaangaande niet in gebreke heeft gesteld, zodat, ook als zou moeten worden aangenomen dat hij zijn aandeel wel eerder heeft opgeëist, geen sprake is van verzuim. Er is ook geen sprake van het door [appellant] gestelde verzuim zonder ingebrekestelling als bedoeld in artikel 6:83 sub a BW Pro.