Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 7462528/19-204)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- het herstelexploot;
- de akte naamswijziging van [appellante] met de mededeling dat op 31 december 2020 de tenaamstelling van [appellante] Machine- en Transportwerktuigenfabriek [locatie] B.V. is gewijzigd naar [[ X ]] B.V.;
- de memorie van grieven met producties;
- de memorie van antwoord.
3. De beoordeling
een langwerpige, (roestvrij) stalen plaat van ten minste 1.70 meter lang en met een gewicht van ten minste 8,8 kg, derhalve niet over een klein voorwerp”en
“het heeft op de weg van [appellante] gelegen om [geintimeerde] te instrueren over de wijze waarop hij de plaat, of - meer in het algemeen - relatief omvangrijke en/of zware voorwerpen (op een veilige wijze) in de container diende te deponeren (…)”. Tussen partijen zijn de door de kantonrechter aldus genoteerde eigenschappen niet in geschil, zodat het hof ook daarvan zal uitgaan. Of de plaat een gewicht had van 8,8 kilo of dat dit ten minste zo was, is niet relevant voor het geschil zoals uit de navolgende rechtsoverwegingen zal blijken en de daarbij behorende stellingen van [appellante] zelf (zie rov. 3.11.4.). Daarbij ziet het hof (net als de kantonrechter) geen aanleiding de plaat te kwalificeren als een relatief zwaar voorwerp.
zorgplicht in het algemeenhet volgende. [appellante] is een bedrijf dat de veiligheid op de werkvloer hoog in het vaandel heeft staan.
zorgplicht bij dit specifieke ongevalhet volgende Zij heeft haar personeel geïnstrueerd ten aanzien van de wijze waarop het afval naar de container diende te worden vervoerd en vervolgens in de container gedeponeerd diende te worden.
“Ik heb hem geen opdracht gegeven om dat op een bepaalde manier te doen. Dat heeft ons inziens geen verdere uitleg nodig. Het moest met een karretje of heftruck naar buiten worden gebracht, en in een afvalcontainer worden gelegd.”