Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant 1] ,wonende te [woonplaats] ,
[appellant 2],
wonende te [woonplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
in hoedanigheid van erfgenaam van [erflaatster 2] ,
wonende te [woonplaats] ,
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/352488 / HA ZA 18-778)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met een productie;
- de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met producties;
- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep met producties;
- de meervoudige mondelinge behandeling gehouden op 29 september 2021, waarbij partijen een pleitnota hebben overgelegd;
- de bij H12-formulier van 15 september 2021 door mr. Dekkers-de Jong overgelegde brief van 14 september 2021 met schriftelijke toelichting betreffende de daarbij gevoegde producties 11 tot en met 16, die zij bij de mondelinge behandeling bij akte in het geding heeft gebracht;
- de bij brief van 20 september 2021 door mr. Mattheussens toegezonden bijlagen 1 tot en met 11 en de bij H16-formulier van 23 september 2021 toegezonden ondertekende versie van bijlage 11, die hij bij de mondelinge behandeling bij akte in het geding heeft gebracht.
3.De beoordeling
Ik bepaal voorts:1. dat de aan mijn overige erfgenamen toegedeelde vorderingen ten laste van mijn echtgenoot te allen tijde geheel of gedeeltelijk aflosbaar zijn, doch eerst opeisbaar zijn zes maanden na het overlijden van mijn genoemde echtgenoot danwel onmiddellijk in de gevallen als bedoeld in artikel 160 Boek Pro 1 Burgerlijk Wetboek, alsmede wanneer hij mocht worden failliet verklaard of surseance van betaling mocht aanvragen;(…)’.
3.17. (…) ten aanzien van de samenstelling van de huwelijksgoederengemeenschap [behoren
] de navolgende posten tot de activa (…):
te bepalen dat wat betreft de samenstelling van de huwelijksgoederengemeenschap de schenkingen/onttrekkingen in 2013 ad € 8.800,00 en in 2014 ad € 14.100,00 eveneens tot de activa behoren;
- [executeur q.q.] te veroordelen aan [appellant 1] te betalen € 11.450,00 vermeerderd met de wettelijke rente; en
- te bepalen dat de kosten van de notaris betreffende het opmaken van het testament van € 785,90 voor rekening van [executeur q.q.] komt en [executeur q.q.] te veroordelen om dat bedrag aan [appellant 1] te betalen;
- met veroordeling van [appellant 1] en [appellant 2] in de kosten van de procedure in beide instanties en in de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente.
De geschillen die partijen in hoger beroep hebben voorgelegd hebben betrekking op het volgende:
in principaal hoger beroep:
in incidenteel hoger beroep:
- het saldo van de bankrekeningen van [vader 1] en [moeder 2] (grief VII);
opeisbaar zijn zes maanden na het overlijden van mijn genoemde echtgenoot danwel onmiddellijk in de gevallen als bedoeld in artikel 160 Boek Pro 1 Burgerlijk Wetboek, alsmede wanneer hij mocht worden failliet verklaard of surseance van betaling mocht aanvragen’(zie onder 3.2.2).
M.b.t. de sieraden, deze heeft onze moeder bij diverse gelegenheden, zoals kerst, verjaardagen etc., de laatste paar jaren al verdeeld aan ons. M.a.w. de meeste sieraden zijn bij leven al verdeeld dus hoeven naar onze mening niet op de lijst genoteerd te worden.’
taxatie naderhand gevonden sierraden’). Gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerden] destijds hiertegen bezwaar hebben gemaakt, integendeel. Volgens [geïntimeerden] is de inboedel destijds in goede harmonie verdeeld. Tijdens de zitting in hoger beroep is namens [geintimeerde 2] en [geintimeerde 3] toegelicht dat de verdeling van de inboedel vrij vlot ging, dat partijen de precieze bedragen vrij snel zijn overeengekomen en dat zij het eens waren over de kosten van de inboedel. Het betoog van [appellant 1] dat deze waarde van de inboedel aldus samen met [geintimeerde 2] en [geintimeerde 3] is overeengekomen, slaagt.
Voor de duidelijkheid. Ik ga me niet bezig houden met leegruimen huis (…) Wat daarna niet verkoopbaar blijkt mag wat mij betreft met de afvalcontainer worden afgevoerd. Ook dat ga ik niet zelf doen. Ik kan hiervoor mensen inhuren maar het staat vrij dat jullie dat doen’. [appellant 1] heeft in een e-mail van 17 juli 2017 aan [geintimeerde 3] geschreven: ‘
Tenslotte, mochten er kosten voor restant weghalen zijn gelden dit als algemene kosten welke separaat gelijk met de overige kosten woning, welke gemaakt zijn na overlijden van je moeder, afgehandeld dienen te worden.’ Uit deze e-mails volgt dat het voor [geintimeerde 2] en [geintimeerde 3] duidelijk was dat [appellant 1] kosten zou maken als zij niet zelf tot ontruiming van de woning zouden overgaan en dat die kosten volgens hem tot de gemeenschap zouden behoren.
Voorop is gesteld dat mevrouw [erflaatster 2] bevoegd was tot het doen van schenkingen. Zij was immers – in tegenstelling tot haar echtgenoot – wilsbekwaam.’.
[geïntimeerden] hebben geen grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat hieruit volgt dat tussen partijen niet in geschil is dat [vader 1] ten tijde van de gedane giften niet wilsbekwaam was. Hiervan dient in hoger beroep dan ook te worden uitgegaan. Daarbij komt dat [vader 1] in oktober 2016 al ruim drie jaar was opgenomen in een verpleeghuis in verband met zorgbehoefte bij zijn dementie, waaruit volgt dat zijn dementie zich niet meer in het beginstadium bevond en hij op 24 januari 2017, nog geen drie maanden na de gedane giften, onder curatele is gesteld met benoeming van [appellant 1] tot curator.
Circa 12 jaar geleden heeft mijn oom [vader 1] (wijlen de heer [persoon A] ) tijdens een bezoek aan mijn moeder en mij meegedeeld dat hij graag op [begraafplaats] begraven wilde worden.’. Hieruit volgt dat vader in de nabijheid van zijn ouders en twee zussen zou worden begraven, zoals hij ook in diverse gesprekken had aangegeven. Daarom is besloten om [vader 1] in een eigen graf te begraven, aldus [appellant 1] .
overzicht van de ontbonden gemeenschap van goederen / nalatenschap’ waarin dit door hen berekende bedrag staat is hiertoe onvoldoende, nu uit hun eigen stellingen volgt dat dit overzicht is gemaakt toen zij nog geen inzicht hadden in de bankrekeningen (cva prod. 8). Uit het voorgaande volgt dat grief VII niet slaagt.
overzicht van de ontbonden gemeenschap van goederen / nalatenschap’ (cva prod. 8). Volgens hen maakt [appellant 1] slechts aanspraak op dit bedrag, omdat geen correctie dient plaats te vinden op basis van de inboedel en sieraden (grieven I en II) en dat geen sprake is van vernietiging van een gift (grief IV). Nu deze grieven falen, kan [geïntimeerden] niet worden gevolgd in hun standpunt dat [appellant 1] recht heeft op een bedrag van € 56.651,62. De rechtbank heeft deze vordering dan ook terecht afgewezen. De rechtbank heeft de vordering van [geïntimeerden] om de wijze te bepalen waarop partijen dienden over te gaan tot verdeling van de boedel toegewezen. De enkele omstandigheid dat de rechtbank hierbij in het dictum heeft verwezen naar overwegingen in het beroepen vonnis betekent niet dat geen concrete beslissing is genomen. Grief VIII slaagt niet.