Uitspraak
13.De beschikking d.d. 21 januari 2021
14.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
- het e-mailbericht van de deskundige van 22 april 2021 met als bijlage het taxatierapport van de woning aan de [adres 1] te [plaats 1] ;
- het e-mailbericht van de deskundige van 27 mei 2021 met als bijlage getiteld “Waardering [adres 1] , [postcode] [plaats 1] a.d.h.v. indexcijfers NVM”, onderdeel uitmakende van voormeld taxatierapport;
- de reactie van de advocaat van de man van 26 mei 2021 op het taxatierapport van de deskundige;
- de reactie van de advocaat van de vrouw van 27 mei 2021 op het taxatierapport van de deskundige;
- de reactie van de advocaat van de vrouw van 27 mei 2021 op het verzoek tot heroverweging van de man;
- de brief van de advocaat van de man van 28 mei 2021 met als bijlage de stukken behorende tot de reactie van de man van 26 mei 2021 op het taxatierapport van de deskundige;
- de brief van de advocaat van de man van 3 juni 2021.
15.De woning [adres 1]
deskundigeheeft in zijn taxatierapport de woning per peildatum getaxeerd op € 510.000,--. Dit is gebeurd aan de hand van de indexcijfers van de NVM, waarbij uitgaande van een waarde in 2021 van € 820.000,-- is “teruggerekend” naar de waarde in 2013.
vrouwvindt de getaxeerde waarde van € 510.000,-- te laag. Volgens haar is een waarde van (minimaal) € 700.000,-- redelijk.
mankan zich vinden in de uitkomst van de taxatie door de deskundige.
hofoordeelt als volgt. De deskundige heeft blijkens zijn rapport onderkend dat sprake is van een rijksmonument. Dit geldt ook voor de feiten waarop de vrouw haar conclusie baseert dat sprake is van een pand met een “bijzonder karakter”. Mede met inachtneming van deze feiten heeft hij het pand gewaardeerd. De door de deskundige gebezigde motivering, die mede is gebaseerd op bijzondere kennis, ervaring en/of intuïtie, komt het hof overtuigend voor. Dat de waardering van de deskundige onjuist zou zijn, blijkt niet uit hetgeen de vrouw aanvoert. Iedere onderbouwing daarvoor ontbreekt ook. In het bijzonder heeft de vrouw geen (partij)deskundigenrapport overgelegd waaruit blijkt van een andere waarde dan die waarop de door het hof benoemde deskundige is uitgekomen. De opmerkingen van de vrouw over de waarde van de woning eind 2009 – begin 2010 bieden geen steun voor haar standpunt over de waarde van de woning ruim drie jaar later op de peildatum (1 september 2013). Dit geldt temeer nu de woningmarkt in die periode een sterk neergaande trend vertoonde.
16.Verzoek van de vrouw van 11 september 2019
vrouwnoemt niet de vrouw, maar de man “die” verschillende bedragen (zie onder meer zijn schuldbekentenis en zijn e-mail van 5 februari 2013). Zij vraagt “herstel” op dit punt.
manheeft dit weersproken. De vrouw heeft haar stellingen niet onderbouwd. De man heeft alleen de stellingen van de vrouw weergegeven/herhaald (in zijn verweerschrift in hoger beroep). Hij heeft geen verschillende bedragen genoemd.
hofoordeelt als volgt. Waar de schuldbekentenis zich zou bevinden in het omvangrijke dossier heeft de vrouw nagelaten duidelijk te maken, zodat die schuldbekentenis geen steun kan bieden voor het verzoek van de vrouw. De e-mail van 5 februari 2013 heeft de vrouw als bijlage 8 bij haar verzoek overgelegd. Dit is het hof kenbaar geworden uit het “Overzicht bijlagen” bij haar verzoek. In de e-mail van de man staat alleen, voor zover hier relevant, het volgende: “Informeer hem [je eigen notaris] daarbij wel dat ik een begininvestering in de woning heb gedaan van (omgerekend) € 154.000 en jij een begininvestering hebt gedaan van (omgerekend) € 33.000”. Hieruit blijkt dus niet dat de man “die” verschillende bedragen noemt waar het de vrouw om te doen is. Hij noemt slechts één bedrag.
vrouwheeft zij met privé-gelden geïnvesteerd “bij de aankoop” van het pand. De man heeft bevestigd dat zij € 33.000,-- heeft geïnvesteerd in het pand (e-mail van de man van 5 februari 2013, bijlage 8), zodat de vrouw een “vergoedingsaanspraak” toekomt. Van een lening was geen sprake (pt. 32). De vrouw verzoekt het hof in dit verband te “erkennen c.q. vast te stellen”, dat de vrouw € 33.000,-- heeft bijgedragen aan de verwerving van het pand. De vrouw komt een “vergoedingsaanspraak” toe van (omgerekend in guldens), (72.722,43 : 420.000) x waarde van de woning op de peildatum. Als het hof “van mening” is dat deze vordering niet eerder “is gesteld”, zal de vrouw deze alsnog te gelde maken in een procedure bij de rechtbank Limburg.
manwijst erop dat partijen “ten aanzien van de mail” reeds een uitvoerig debat hebben gevoerd ten overstaan van het hof. De vrouw gaat hieraan voorbij en zij negeert de rov. 3.9.1 en 3.9.5 van het hof. De vrouw volstaat met de blote en onjuiste stelling dat zij € 33.000,- heeft geïnvesteerd en dat haar een vergoedingsaanspraak toekomt.
hofoordeelt als volgt. De vrouw komt kennelijk tot het bedrag van NLG 420.000,-- door optelling van de koopsom (NLG 195.000,--) en het bedrag waarvoor de woning is gerenoveerd (NLG 225.000), waarover rov. 3.9.1. Uit de verklaring van de vrouw dat zij “bij de aankoop van het pand” heeft geïnvesteerd, leidt het hof af dat haar stelling is dat zij heeft meebetaald aan de koopsom van het pand van de man dan wel aan de renovatie van het pand (kort na de aankoop (of levering op 30 december 1988)) en dat zij op grond van deze investering met “privé-gelden” een vergoedingsrecht heeft. Het verzoek van de vrouw heeft dus geen betrekking op rov. 3.9.5 (dáár ging het om investeringen in 2004 en 2013). Het is de vrouw hierbij, voor alle duidelijkheid, evenmin op de een of andere manier te doen om een aanspraak uit hoofde van het niet-uitgevoerde periodieke verrekenbeding (dit beding stelt de vrouw weer aan de orde onder pt. 35-42, waar de vrouw verzoekt om “herberekening van het overgespaard inkomen” (pt. 35) en “na-calculatie” (pt. 40) en in welk verband de vrouw ook een ander bedrag aan renovatiekosten noemt (te weten NLG 180.858,--).
vrouw, niet aangetoond dat de bedragen die hij per maand spaarde (in 1987: NLG 1.000,-- en in 1988: NLG 2.000,--) niet zijn besteed aan de aankoop van het pand. Deze opmerking van de vrouw berust op een onjuiste lezing van de beschikking van het hof. Het hof heeft niet geoordeeld dat de man in 1988 NLG 2.000,-- spaarde; het hof heeft geoordeeld dat de man NLG 2.000,-- besteedde aan, samengevat, de huishouding, zodat in zoverre van overgespaarde inkomsten geen sprake was. Het is juist dat de man in 1987 NLG 1.000,-- spaarde, maar dat spaargeld wordt volgens de beslissing van het hof, zoals de vrouw ook wenst, juist wel aangemerkt als geacht te zijn besteed aan de aankoop van het pand. (Op het salaris van de man in 1987 zijn namelijk alleen in mindering gebracht zijn maandelijkse bijdragen van NLG 1.200,-- aan, samengevat, de huishouding). De man heeft op dit een en ander ook gewezen in zijn reactie.
manheeft aangevoerd (grief 4 incid. hb.) dat hij op 10 november 1994 een vierde termijn (van de aanneemsom) van NLG 41.000,-- heeft betaald van rekening * [nummer 7] (waarop de huren van de [adres 2] binnenkwamen). Hij beroept zich op bijlage 68, p. 508. Omdat rekening * [nummer 7] alleen is gevoed met de huurinkomsten en deze buiten de verrekening vallen, is het bedrag van NLG 41.000,-- niet met overgespaard inkomen betaald.
vrouwheeft daartegen het volgende ingebracht (verweer incid. hb.). Op rekening * [nummer 7] kwamen niet alleen de huurinkomsten binnen, maar met de rekening werden vele transacties uitgevoerd, die niet met huurinkomsten of -lasten te maken hadden, dit zelfs ten laste van de salarisrekening * [nummer 4] (prod. 101 [hof: een overboeking van NLG 25.000,-- naar rekening * [nummer 7] vanaf de salarisrekening]).
hofvast dat door de vrouw niet is betwist dat het bedrag is betaald van de bankrekening van de man, eindigend op . [nummer 7] , en dat die bankrekening werd gevoed met huuropbrengsten van het pand [adres 2] . De vrouw stelt weliswaar dat uit de overgelegde bankafschriften blijkt dat op de rekening met nummer . [nummer 7] incidenteel ook bedragen zijn gestort vanaf de salarisrekening van de man met nummer . [nummer 4] (op 23 september 1989: fl. 25.000,--, op 5 juni 1991: fl. 5.000,--, op 27 december 1991: fl. 3.000,-- en op 6 april 1992: fl. 2.000,--) maar naar het oordeel van het hof heeft de man met zijn bijlage 77 bij zijn akte d.d. 15 november 2015 (door de vrouw niet weersproken) toereikend aangetoond dat hij ten minste dezelfde bedragen weer heeft teruggestort van rekening . [nummer 7] naar de salarisrekening met nummer . [nummer 4] .”
superbonusbetreft, herinnert het hof aan zijn beschikking van 11 juli 2019:
(..) met die verdeling hebben partijen, zo begrijpt de rechtbank, vooruit gelopen op de op handen zijnde echtscheiding en de afwikkeling van hun huwelijkse voorwaarden en daarbij heeft de verdeling hetzelfde effect gehad als met een verrekening van die € 80.000,- per 1 september 2013 zou zijn bereikt.
Reaal-polisheeft het hof in zijn beschikking van 11 juli 2019 beslist dat het bedrag dat de vrouw daarvoor heeft ontvangen niet moet worden opgeteld bij haar verrekenbare vermogen op de peildatum (1 september 2013). De polis was al in 2011 afgekocht en toen is de opbrengst ook verdeeld. De vrouw heeft haar deel gestort op een eigen bankrekening en daarover verklaard dat dit deel is vermengd met haar banksaldi. De saldi (per peildatum) van de bankrekeningen van de vrouw moeten worden verrekend (dat zijn de vermogensbestanddelen (vorderingen) die de vrouw op de peildatum heeft).
17.“Verzoek tot heroverweging” d.d. 1 oktober 2020 van de man
manvoert het volgende aan. Al in zijn verweer in hoger beroep heeft de man gesteld dat de totale investering in het pand € 296.000,-- bedroeg:
- NLG 240.000,-- aankoopkosten;
- NLG 225.000,-- eerste verbouwing;
- € 55.000,--, tweede verbouwing in 2004/2005
- € 30.000,--, derde verbouwing in 2011.
hij(curs. hof) heeft geïnvesteerd (pt. 74). Integendeel, de vrouw beroept zich er in pt. 11 juist op dat de renovatiekosten met overgespaard inkomen zijn gefinancierd. Ook eerder heeft de vrouw trouwens al weersproken dat de man heeft geïnvesteerd (verw. incid. hb, pt. 19 e.v.).
18.Verzoeken van de vrouw van 27 mei 2021 op verzoek tot heroverweging
vrouwberoept zich erop dat de man in strijd met art. 21 Rv Pro heeft gehandeld. Volgens de vrouw heeft de man zowel de rechtbank als het hof onjuiste informatie verstrekt. De vrouw noemt tien onjuiste stellingen van de man (pt. 1 t/m 23). De vrouw verzoekt aan deze onjuiste informatieverstrekking de gevolgtrekking te verbinden die het hof geraden acht (pt. 3). Volgens de
mandoet de vrouw hiermee de procedure over en is het verzoek van de vrouw tardief.
hofoordeelt als volgt. De vrouw handelt in strijd met de goede procesorde door in dit stadium van de procedure het standpunt te betrekken dat de man onjuiste informatie heeft verstrekt. De vrouw heeft niet duidelijk gemaakt waarom zij dit niet eerder heeft gedaan (of heeft kunnen doen). Voor zover de vrouw niet zou handelen in strijd met de goede procesorde, dient haar verzoek overigens te worden afgewezen. De vrouw noemt stellingen waarop het hof zijn beslissing niet heeft gebaseerd (bijvoorbeeld over het beginvermogen van de man). Voorts betreft de “reactie” een beweerde onjuiste stelling die echter niet zozeer onjuist is, maar volgens de vrouw zelf alleen “te denken geeft” (pt. 11). Ook gaat de vrouw voorbij aan de herstelfunctie van het hoger beroep (die meebrengt dat de man in hoger beroep zijn stellingen uit de eerste aanleg mag aanpassen). Ten slotte gaat het om stellingen (zo daarvan al sprake is, veeleer lijkt het te gaan om door de man gememoreerde feiten) waarvan de vrouw niet uitlegt hoe deze “voor de beslissing” (zoals door art. 21 Rv Pro geëist), en met name ook welke beslissing, van belang zijn (of zijn geweest). De vrouw volstaat daarbij dan met de opmerking “waarvan akte” of “hetgeen niet zonder gevolgen kan blijven”. Nu de vrouw niet duidelijk maakt welke concrete gevolgen aan haar opmerkingen verbonden dienen te worden voor de beslissingen van het hof, gaat het hof daaraan voorbij.
19.Slotsom
20.De beslissing
- in haar verzoek om een vergoedingsrecht (waarover “(iii) Investeringen van de vrouw in de [adres 1] (pt. 32-34);
- in haar verzoek betreffende de kapitaalverzekeringen (waarover “Kapitaalverzekeringen (pt. 40-42)”;
- in haar beroep tegen de beslissing van de rechtbank over de deurwaarderskosten (3.17.2)