Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Aabo Trading [kantoorplaats 1] B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
Aabo Trading [kantoorplaats 2] B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
Aabo Trading [kantoorplaats 3] B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
Aabo Trading [kantoorplaats 4] B.V.,
1.Het geding tot aan de verwijzing door de Hoge Raad
2.Het geding in hoger beroep na verwijzing
- het exploot van oproeping van 23 september 2019;
- de memorie na verwijzing van [appellant] ;
- het pleidooi, waarbij Aabo pleitnotities heeft overgelegd.
3.De beoordeling
- De grieven 2 en 4 (die zien op de door [appellant] gevorderde en door de rechtbank afgewezen oproeping in vrijwaring van [Beheer B.V.] en [directeur van Beheer B.V.] ) worden wegens gebrek aan belang verworpen (rov. 4.3.)
- De gang van zaken in de voorliggende situatie wijkt in essentie niet af van de casus in HR 18 november 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0505 (“Biggles”), waarbij geldt dat de storting op de aandelen door [Installatietechniek B.V.] kan worden beschouwd als een storting namens [Beheer B.V.] (rov. 4.15.).
- De uitspraak in “Biggles” heeft haar gelding behouden voor zaken als de onderhavige, ook na de inwerkingtreding van artikel 2:203a BW en na het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4595 (rov. 4.16.).
- Met betrekking tot de vraag of is voldaan aan de volstortingsplicht, komt het er op aan of het op 1 juli 2005 gestorte en op 5 juli 2005 weer teruggeboekte bedrag daadwerkelijk (in rekening-courantverhouding) te beschikking is blijven staan van [de vennootschap 2] (i.o.). Hierbij is ook van belang of deze lening zakelijk verantwoord was en of [de vennootschap 2] (i.o) desgewenst over dit bedrag kon blijven beschikken (rov. 4.17.).
- Alvorens deze vraag te beantwoorden, heeft het hof behoefte aan een nadere toelichting van [appellant] op de volgende vragen:
- de stelplicht en bewijslast dat niet is voldaan aan de volstortingsplicht rusten op Aabo (rov. 2.3.).
- Aabo heeft over de volstortingsplicht in eerste aanleg nauwelijks iets gesteld (rov. 2.3.).
- [appellant] heeft betwist dat niet aan de volstortingsplicht is voldaan. Deze betwisting is summier, maar omdat ook het door Aabo gestelde summier is en omdat het gaat om feiten en omstandigheden waarvan voorstelbaar is dat [appellant] daar niet uit eigen wetenschap kennis van heeft, kan van hem niet een verdergaande motivering worden gevergd (rov. 2.4. en 2.5.).
- Dit betekent dat niet is komen vast te staan dat niet aan de volstortingsplicht is voldaan. Door Aabo is geen bewijsaanbod gedaan dat voldoet aan de daaraan in hoger beroep te stellen eisen. Hiermee dient het niet voldaan zijn aan de volstortingsplicht als grondslag voor de vorderingen van Aabo te worden verworpen (rov. 2.6.).
- Dit betekent dat de grieven 1 en 3 slagen (rov. 2.7.).
- Aangezien Aabo zowel in eerste aanleg als in hoger beroep dient te worden beschouwd als de in het ongelijk gestelde partij, moet zij in de proceskosten van beide instanties worden veroordeeld en dus slaagt grief 5 (rov. 2.8.).
3.2 Het hof heeft in rov. 4.18 van het tussenarrest specifiek vermeld op welke punten [appellant] inlichtingen moest verstrekken. Het hof is daarbij kennelijk ervan uitgegaan dat het de kernvraag, namelijk of het teruggeboekte geld ter beschikking aan [de vennootschap 2] (i.o.) is blijven staan, niet zonder deze inlichtingen kon beantwoorden.