Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
[handelsnaam],
5.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 17 maart 2020 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;
- het proces-verbaal van comparitie van 19 mei 2020;
- de memorie van grieven met producties 1 tot en met 8;
- de memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, met producties 12a tot en met 15f;
- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep.
6.De beoordeling
- Heeft EFD de overeenkomst van aanneming van werk die zij met [handelsnaam] heeft gesloten over een door [handelsnaam] voor EFD te vervaardigen machine, rechtsgeldig buitengerechtelijk ontbonden wegens tekortkomingen van [handelsnaam] in de nakoming van die overeenkomst?
- Heeft EFD recht op de door haar gevorderde schadevergoeding?
- [handelsnaam] is een eenmanszaak die zich bezighoudt met ingenieurs- en technisch ontwerp en met constructie en montage.
- EFD drijft een onderneming in onder meer tochtdeuren en (andere) flexibele PVC-materialen.
- De eigenaar van [handelsnaam] , [appellant] , en de bestuurder van EFD, [bestuurder EFD] , zijn neven van elkaar. De vader van [bestuurder EFD] , [vader] , was tot 29 november 2017 medebestuurder van EFD.
- Bij e-mail van 27 juli 2016 heeft [bestuurder EFD] (EFD) aan [appellant] ( [handelsnaam] ) onder meer het volgende meegedeeld:
- Op 12 november 2016 heeft [handelsnaam] aan EFD een factuur gestuurd ten bedrage van € 12.100,-- inclusief btw (€ 10.000,-- exclusief btw) voor de eerste deelbetaling. EFD heeft deze factuur op 28 november 2016 betaald.
- [handelsnaam] heeft de machine in april 2017 bij EFD geplaatst (volgens punt 20 van de inleidende dagvaarding omstreeks 20 april 2017; volgens punt 12 van de conclusie van antwoord op zaterdag 8 april 2017).
- Bij e-mail van 21 april 2017 heeft EFD aan [handelsnaam] onder meer het volgende meegedeeld:
- In de daarop volgende maanden hebben partijen per e-mail gecommuniceerd over door EFD ondervonden problemen met de machine.
- Op 7 mei 2017 heeft [handelsnaam] aan EFD een factuur gestuurd ten bedrage van € 30.250,-- inclusief btw (€ 25.000,-- exclusief btw) voor de tweede deelbetaling. EFD heeft deze factuur onbetaald gelaten.
- In juni 2017 heeft [handelsnaam] de machine bij EFD opgehaald om een ontwerpfout te verhelpen.
- Op 20 juli 2017 heeft [handelsnaam] de machine terugbezorgd bij EFD.
- Bij factuur van 20 juli 2017 heeft [handelsnaam] aan EFD € 4.259,20 inclusief btw (€ 3.520,-- exclusief btw) in rekening gebracht met als omschrijving “aanpassen ponsmachine”.
- Bij e-mail van 26 juli 2017 heeft EFD aan [handelsnaam] onder meer het volgende meegedeeld:
- EFD heeft ook in de periode vanaf 20 juli 2017 problemen ondervonden met de machine.
- Bij e-mail van 10 september 2017 heeft EFD aan [handelsnaam] meegedeeld, kort gezegd, dat de machine nog steeds niet naar behoren functioneert en dat [handelsnaam] tot 15 september 2017 krijgt om de machine werkend te krijgen.
- Bij brief van 12 september 2017 heeft de advocaat van EFD aan [handelsnaam] onder meer meegedeeld dat EFD zich beroept op haar opschortingsrecht.
- Bij brief van 15 september 2017 heeft de advocaat van EFD namens EFD de overeenkomst vooralsnog gedeeltelijk buitengerechtelijk ontbonden, te weten voor de toekomstige verplichtingen over en weer, en [handelsnaam] aansprakelijk gesteld voor de door EFD geleden schade.
- Bij brief van 21 september 2017 heeft [handelsnaam] een uitgebreide inhoudelijke reactie gezonden naar de advocaat van EFD. In de brief staat onder meer het volgende:
- Bij ongedateerde maar kennelijk van 11 oktober 2017 daterende brief heeft de advocaat van EFD namens EFD de volledige overeenkomst buitengerechtelijk ontbonden. In de brief is onder meer meegedeeld dat EFD geen basis ziet voor continuering van de samenwerking en dat EFD er geen vertrouwen in heeft dat de gebrekkige machine op enig moment probleemloos zal werken.
- EFD heeft de machine op 12 december 2017 laten beoordelen door technisch ingenieursbureau [technisch ingenieursbureau] (hierna: [technisch ingenieursbureau] ). [technisch ingenieursbureau] heeft haar bevindingen neergelegd in een rapport van 12 december 2017. In paragraaf 4 van dat rapport staat de volgende conclusie:
- een hoofdsom van € 34.509,20 te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de vervaldata van de facturen;
- € 1.120.09 aan buitengerechtelijke incassokosten;
- een verklaring voor recht dat de overeenkomst tussen partijen bij brief van 11 oktober 2017 buitengerechtelijk is ontbonden, althans ontbinding van de overeenkomst;
- een verklaring voor recht dat [handelsnaam] de door EFD geleden en nog te lijden schade voortvloeiende uit de overeenkomst van 10 november 2016 aan EFD moet vergoeden, met veroordeling van [handelsnaam] tot betaling van een voorschot op schadevergoeding van € 29.692,54, te vermeerderen met wettelijke rente;
- veroordeling van [handelsnaam] tot afgifte van alle bescheiden die als essentialia van de machine moeten worden aangemerkt, waaronder alle (constructie)tekeningen, handleidingen, broncodes en wachtwoorden, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
- veroordeling van [handelsnaam] om over te gaan tot deugdelijke nakoming van de overeenkomst, althans tot herstel van de door [handelsnaam] geleverde machine, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
- De overeenkomst die partijen zijn aangegaan is een overeenkomst tot aanneming van werk (rov. 4.3).
- Volgens de overeenkomst is de tweede (tevens laatste) betalingstermijn voor de machine verschuldigd na de FAT (Factory Acceptance Test) en niet pas na de oplevering van de machine (rov. 4.4).
- De rechtbank kan op dit moment niet beoordelen of een FAT als bedoeld in de overeenkomst heeft plaatsgevonden. Als in reconventie wordt geoordeeld dat de overeenkomst is ontbonden, is niet meer van belang of de tweede betalingstermijn opeisbaar is geworden. De rechtbank zal daarom eerst de vordering in reconventie beoordelen (rov. 4.7).
- De stelling van EFD dat [handelsnaam] de machine niet tijdig heeft opgeleverd, moet worden verworpen (rov. 4.9).
- Ter beoordeling van de vraag of [handelsnaam] nog aan haar verplichtingen kan voldoen, en daarmee of de vordering tot ontbinding toewijsbaar is, heeft de rechtbank behoefte aan voorlichting door een deskundige (rov. 4.11).
- het deskundigenbericht gelast;
- aan de deskundige de negen vragen voorgelegd die weergeven zijn in onderdeel 3.1 van het vonnis;
- bepaald dat EFD het voorschot op de kosten van het deskundigenbericht dient te voldoen.
- De rechtbank leidt uit de bevindingen van de deskundige af dat de machine, gelet op de toepassing door EFD, momenteel niet binnen aanvaardbare marges produceert, de optionele functie “ponsen/niet ponsen” niet conform de Machinerichtlijn is uitgevoerd en in de huidige vorm niet is toegestaan, bij het afrollen van een zwaardere rol de remfunctie onvoldoende is en een aantal technische knelpunten een goed functioneren momenteel in de weg staan (rov. 2.4).
- De deskundige heeft zijn bevindingen voldoende onderbouwd. Uit de bevindingen volgt dat sprake is van diverse toerekenbare tekortkomingen aan de zijde van [handelsnaam] . [handelsnaam] heeft niet geleverd wat is overeengekomen (rov. 2.7).
- Er is niet gesteld of gebleken dat de tekortkomingen de ontbinding niet zouden rechtvaardigen (rov. 2.7.2).
- Deugdelijke nakoming is niet blijvend onmogelijk. Daarom moet worden beoordeeld of [handelsnaam] in verzuim is geraakt (rov. 2.7.3).
- [handelsnaam] is in verzuim geraakt omdat zij binnen de haar door EFD gestelde termijnen niet alsnog deugdelijk heeft nagekomen en omdat EFD uit het standpunt van [handelsnaam] – dat geen sprake was van een tekortkoming – mocht afleiden dat [handelsnaam] niet deugdelijk zou nakomen (rov. 2.7.4).
- Het standpunt van [handelsnaam] dat sprake was van schuldeisersverzuim aan de zijde van EFD doordat zij de tweede termijn nog niet had betaald, moet worden verworpen. Uit de stellingen van [handelsnaam] volgt onvoldoende dat een geslaagde FAT of oplevering heeft plaatsgevonden. De laatste betaaltermijnen zijn dus nog niet opeisbaar geworden (rov. 2.7.5).
- EFD was op grond van het voorgaande gerechtigd de overeenkomst bij haar brief van 11 oktober 2017 te ontbinden (rov. 2.7.6).
- Dit brengt mee dat [handelsnaam] in beginsel schadeplichtig is jegens EFD (rov. 2.8).
- De door EFD gestelde schadepost van € 8.234,05 ter zake marketingkosten is niet toewijsbaar (rov. 2.9).
- De door EFD gestelde schadepost van € 8.564,79 ter zake de inhuur van een Duitse medewerkster is niet toewijsbaar (rov. 2.10)
- De door EFD gestelde schadepost van € 1.887,60 ter zake de kosten van een fotograaf is niet toewijsbaar (rov. 2.11).
- De door EFD gestelde schadepost van € 2.795,10 ter zake folders is niet toewijsbaar (rov. 2.12)
- De door EFD gestelde schadepost van € 8.211,-- ter zake interne kosten is niet toewijsbaar (rov. 2.13).
- Uit het voorgaande volgt dat het gevorderde voorschotbedrag van € 29.692,54 niet toewijsbaar is (rov. 2.14).
- De door EFD gevorderde verklaring voor recht dat [handelsnaam] de door EFD geleden schade dient te vergoeden, is toewijsbaar (rov. 2.15).
- de vorderingen van [handelsnaam] in conventie afgewezen;
- [handelsnaam] in de proceskosten van het geding in conventie veroordeeld;
- in reconventie voor recht verklaard dat de overeenkomst tussen EFD en [handelsnaam] bij brief van 11 oktober 2017 buitengerechtelijk is ontbonden;
- in reconventie voor recht verklaard dat [handelsnaam] de door EFD geleden en nog te lijden schade voortvloeiende uit de op 10 november 2016 gesloten overeenkomst aan EFD dient te vergoeden;
- [handelsnaam] in de proceskosten van het geding in reconventie veroordeeld;
- het in reconventie meer of anders gevorderde afgewezen.
- het alsnog toewijzen van haar vorderingen in conventie;
- het alsnog afwijzen van de vorderingen van EFD in reconventie;
- De machine levert stroken waarbij het verschil tussen de ingestelde en afgeknipte lengte per foliesoort sterk verschillend is. De machine produceert daarom niet binnen aanvaardbare marges (blz. 8).
- Het uitschakelen van de functie “ponsen” geschiedt door het verwijderen van een kunststof beschermplaat en het vervolgens losschroeven van een stalen strip. De uitvoering is niet in overeenstemming met de Machinerichtlijn en niet toegestaan, mede vanwege het risico op beknelling (blz. 10).
- Bij het afrollen van een zwaardere rol is de remfunctie onvoldoende, waardoor bij het stoppen van de invoer de rol doordraait tot de folie tussen rol en invoer op de grond komt te liggen (blz. 11).
- De machine voldoet in meerdere opzichten niet aan de Machinerichtlijn. De machine mag daarom formeel niet in gebruik worden gesteld en moet worden beschouwd als een machine in afbouw. Alleen gekwalificeerde technici van of namens de producent mogen eraan werken (blz. 13).
- Er zijn enkele technische punten die een goed functioneren van de machine in de weg staan (blz. 14 en 15).
- De afrolunit en oprolunit leveren nu een constant moment op de rol. Dit betekent dat bij het afrollen (de roldiameter wordt steeds kleiner) de kracht op de folie steeds meer toeneemt (Moment = Kracht x Roldiameter/2), terwijl bij het oprollen (de roldiameter wordt steeds groter) de kracht op de folie steeds meer afneemt. De spanning waar de folie aan blootgesteld wordt is dus niet constant, hetgeen invloed heeft op de nauwkeurigheid van de lengte van vervaardigde stroken (blz. 16).
- Het verdient aanbeveling het frame waarop de rollageringen zijn bevestigd, stijver te maken. Bij toepassing van zwaardere rollen zit er een zichtbaar verende beweging in de ophanging (blz. 17).
- [handelsnaam] heeft nagelaten om bij aanvang van de ontwerpopdracht de gewenste specificaties, zoals de nauwkeurigheid van de afmetingen van de te realiseren producten en de toegestane tolerantieafwijkingen, zo exact mogelijk en in overleg met de klant te duiden en op papier te zetten (blz. 19).
- dat sommige stroken beginnen te “lopen” waarna de rol heel langzaam scheef naar buiten gaat lopen waardoor het fout gaat met het oprollen en met de positie van het gatenpatroon;
- dat de lengte van de met de machine gemaakte stroken niet klopt, zoals nader in de e-mail omschreven.
- [handelsnaam] is op de voet van artikel 6:82 lid 1 BW Pro in verzuim geraakt omdat zij binnen de haar door EFD gestelde redelijke termijnen niet alsnog deugdelijk heeft nagekomen.
- [handelsnaam] is op de voet van artikel 6:83 sub a BW Pro in verzuim geraakt omdat EFD uit het standpunt van [handelsnaam] – dat geen sprake was van een tekortkoming – mocht afleiden dat [handelsnaam] niet deugdelijk zou nakomen.
- de afwijzing van vorderingen van [handelsnaam] in conventie;
- de veroordeling van [handelsnaam] in de proceskosten van het geding in conventie;
- de in reconventie uitgesproken verklaring voor recht dat de overeenkomst tussen EFD en [handelsnaam] bij brief van 11 oktober 2017 buitengerechtelijk is ontbonden;
- de in reconventie uitgesproken verklaring voor recht dat [handelsnaam] de door EFD geleden en nog te lijden schade voortvloeiende uit de op 10 november 2016 gesloten overeenkomst aan EFD dient te vergoeden;
- de veroordeling van [handelsnaam] in de proceskosten van het geding in reconventie.
- A. € 8.234,05 ter zake de kosten van een uitgestippelde marketingstrategie;
- B. € 8.564,79 voor kosten voor de inhuur van een Duitse medewerkster ter verwerking van de beoogde afzetgroei op de Duitse markt per september 2017;
- C. € 1.887,60 aan kosten van een fotograaf;
- D. € 2.795,10 aan kosten van bestelde folders;
- E. € 8.211,00 aan "interne kosten".
- Waarom is de medewerkster per september 2017 ingehuurd, terwijl het EFD op dat moment duidelijk moet zijn geweest dat zij (nog) niet over een werkende machine beschikte en er tevens geen fatale termijn was overeengekomen?
- De betreffende medewerkster is volgens de verklaring van EFD tijdens de comparitie bij de kantonrechter (blz. 5 van het proces-verbaal van die comparitie) ingezet voor andere werkzaamheden. Hoe kan haar salaris bij die stand van zaken worden gezien als schade die [handelsnaam] moet vergoeden?
- Uit de toelichting van EFD blijk dat EFD de uitzendovereenkomst per direct of in ieder geval tussentijds kon beëindigen. Door dat niet te doen heeft EFD gehandeld in strijd met haar schadebeperkingsplicht.
. Om welke folders het gaat kan daaruit niet worden afgeleid. Verder geldt dat [handelsnaam] onweersproken (onder verwijzing naar productie 24 bij dagvaarding) heeft aangevoerd dat EFD op 1 september 2017 aan [handelsnaam] heeft laten weten geen folders te hebben gemaakt. In de betreffende mail staat het volgende:“(...) De folder voor PVC is nog niet klaar, omdat de ENCON machine niet naar behoren werkt. (...)”
Ter comparitie heeft EFD vervolgens toegelicht dat er folders zijn ontworpen, maar dat deze nog niet daadwerkelijk zijn gedrukt. Gelet op dit alles is de rechtbank van oordeel dat [handelsnaam] de gestelde schade op dit punt gemotiveerd heeft weersproken en dat deze door EFD onvoldoende is onderbouwd en toegelicht. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen.”
- de extra loonkosten die de benadeelde heeft moeten maken om de nadelige gevolgen van de tekortkoming te beperken;
- de gevolgen van het feit dat een of meer medewerkers van de benadeelde gedurende een deel van de door de benadeelde betaalde arbeidstijd niet hun reguliere werkzaamheden hebben kunnen verrichten zodat de benadeelde tegenover de door haar betaalde loonkosten het resultaat van die reguliere werkzaamheden ten dele heeft moeten missen (vergelijk onder meer HR 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1278).
7.De uitspraak
- de afwijzing van vorderingen van [handelsnaam] in conventie;
- de veroordeling van [handelsnaam] in de proceskosten van het geding in conventie;
- de in reconventie uitgesproken verklaring voor recht dat de overeenkomst tussen EFD en [handelsnaam] bij brief van 11 oktober 2017 buitengerechtelijk is ontbonden;
- de in reconventie uitgesproken verklaring voor recht dat [handelsnaam] de door EFD geleden en nog te lijden schade voortvloeiende uit de op 10 november 2016 gesloten overeenkomst aan EFD dient te vergoeden;
- de afwijzing van het in reconventie door EFD gevorderde voorschot op schadevergoeding;
- de veroordeling van [handelsnaam] in de proceskosten van het geding in reconventie;