Belanghebbende is eigenaar van een twee-onder-een-kapwoning in de gemeente Boxmeer, gekocht in 2017 voor €290.000. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde per 1 januari 2018 vast op €302.000, wat belanghebbende betwistte. Na een ongegrond verklaard bezwaar en beroep bij de rechtbank, stelde belanghebbende hoger beroep in bij het hof.
Het hof overwoog dat de heffingsambtenaar de waarde had vastgesteld met een systematische vergelijkingsmethode, ondersteund door een waardematrix met vergelijkbare woningen in nabijgelegen plaatsen. De verschillen tussen de woning en vergelijkingsobjecten waren niet zodanig dat deze de bruikbaarheid van de vergelijking aantasten. De heffingsambtenaar had hiermee de bewijslast voldoende voldaan.
Belanghebbende voerde aan dat de waarde gebaseerd moest worden op de vrij-op-naam-prijs vermeerderd met 60% van het meerwerk, geïndexeerd met 3,57%, wat leidde tot een lagere waarde van circa €300.350. Het hof vond dit verschil binnen de gebruikelijke taxatiemarge en oordeelde dat de door belanghebbende gehanteerde indexatie onvoldoende onderbouwd was. Ook de toegepaste indexering door de heffingsambtenaar werd als toelaatbaar en representatief beoordeeld.
Het hof concludeerde dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en het griffierecht werd niet vergoed. De uitspraak werd gedaan door het hof te 's-Hertogenbosch op 9 september 2021.