Uitspraak
GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH
1.[de V.O.F.] ,
[geïntimeerde 2],
[geïntimeerde 3],
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/331417 / HA ZA 17-376)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven;
- de memorie van antwoord, met een productie;
- het pleidooi van 3 november 2020, waarbij de advocaten pleitnotities hebben overgelegd.
3.De beoordeling
“Voorschotten op de winst, aan een of meer vennoten uitbetaald, zullen in de boekhouding als schuld van de betrokken vennoot aan de vennootschap worden vermeld (…)”.In artikel 11 van Pro deze overeenkomst staat:
“Van de nettowinst wordt jaarlijks uitgekeerd aan, of tegoed geschreven in de boekhouding der vennootschap voor ieder der vennoten. (…) De vennoten zijn bevoegd ieder een voor elk hunner nader te bepalen bedrag per week als voorschot uit de kas der vennootschap op te nemen”.
€ 7.800,00 per maand. Het gaat hierbij om (schade)posten die (op de voet van het bepaalde in de artikelen 6:271 en 6:277 BW) voor [appellante] ook na de ontbinding blijven bestaan. Bij gebreke van een nadere toelichting kan het hof niet aannemen dat [appellante] , door haar vorderingen in zoverre in dit geding te handhaven na de ontbinding van de koopovereenkomst, misbruik maakt van haar bevoegdheid het vonnis te executeren. Daarom kan, anders dan de [geïntimeerden] aanvoert, niet worden gezegd dat [appellante] het vonnis niet langer mag tenuitvoerleggen.