Uitspraak
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- het beroepschrift met het procesdossier van de eerste aanleg en producties, ingekomen ter griffie op 16 maart 2021;
- het verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 30 april 2021;
- de brief van 8 april 2021 van mr. Van Kralingen-Haanstra met het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg zoals gehouden op 9 december 2020;
- [de werkgever] , vertegenwoordigd door de heer [directeur] (directeur), [afdelingshoofd] (afdelingshoofd) en [HR afdeling] (HR afdeling), bijgestaan door mr. Mahieu;
- de ter zitting door mr. Van Kralingen-Haanstra overgelegde pleitnotitie.
3.De beoordeling
B: Good; de medewerker heeft een goede bijdrage geleverd; heeft op onderdelen en de vereisten van de functie overtroffen;
C: Adequate; de medewerker heeft een voldoende bijdrage geleverd zoals die verwacht werd binnen de vereisten van de functie en heeft naar behoren gefunctioneerd;
D: Poor; de medewerker heeft op praktisch geen enkel gebied naar behoren gepresteerd en voldoet geenszins aan de gestelde eisen. Beëindiging van het dienstverband wordt overwogen.
- benodigde verandering/acties: een positieve gedragsverandering, onder meer te bereiken door coaching van [coach] .
- te realiseren per: bij dit aspect is geen einddatum genoemd.
- Benodigde verandering/acties: binnen het budget en planning de opdracht overeenkomstig de kwaliteitseisen afleveren en afwijkingen tijdig bespreekbaar maken.
- Te realiseren per 1 juli 2020
- Benodigde verandering/acties: de documenten dienen voor 90% te voldoen aan de gestelde eisen. Iedere berekening wordt gecontroleerd door [betrokkene] .
- Te realiseren per 1 juli 2020
- Benodigde verandering/acties: naleven afspraken en als dat niet lukt dit tijdig bespreekbaar maken.
- te realiseren per 1 juli 2020
- primair: het verzoek tot ontbinding af te wijzen en om [de werknemer] - kort gezegd na medewerking aan een re-integratieplan en mediation - weer toe te laten haar werkzaamheden te verrichten,
- subsidiair: bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst [de werkgever] te veroordelen tot betaling aan [de werknemer] van een transitievergoeding en daarnaast een billijke vergoeding van € 240.000,-;
een en ander met veroordeling van [de werkgever] tot betaling van wettelijke rente en de kosten van deze procedure.
i) primair: de arbeidsovereenkomst ex art. 7:683 BW Pro jo art. 3:300 BW Pro te herstellen vanaf 1 februari 2021, althans vanaf een door het hof in goede justitie te bepalen datum, dan wel,
subsidiair: [de werkgever] te veroordelen om binnen 24 uur na betekening van de beschikking de arbeidsovereenkomst met terugwerkende kracht te herstellen vanaf 1 februari 2021, althans op een door het hof in goede justitie te bepalen datum, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag dat [de werkgever] in gebreke blijft aan de beschikking te voldoen;
ii) [de werkgever] te veroordelen tot betaling aan [de werknemer] van het achterstallige salaris, inclusief vakantiebijslag en overige emolumenten, vanaf de datum bedoeld onder i), te vermeerderen met wettelijke verhoging en wettelijke rente;
iii) [de werkgever] te veroordelen tot wedertewerkstelling binnen 48 uur na betekening van de beschikking, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag dat [de werkgever] in gebreke blijft aan de beschikking te voldoen;
iv) indien de arbeidsovereenkomst niet aansluitend op 1 februari 2021 wordt hersteld, de voorziening te treffen dat [de werkgever] wordt veroordeeld tot betaling aan [de werknemer] van een bedrag van € 2.948,15 voor iedere maand dat de onderbreking duurt, zulks ter compensatie van het door [de werknemer] geleden nadeel;
v) indien de onder i) bedoelde datum zes maanden of langer na 1 februari 2021 ligt, de voorziening te treffen dat beide arbeidsovereenkomsten samen moeten worden genomen voor alle arbeidsrechtelijke regelingen waarvoor de doorbrekingstermijn van zes maanden nadelige gevolgen heeft voor [de werknemer] ;
vi) [de werkgever] te veroordelen aan [de werknemer] een billijke vergoeding te betalen van € 240.000,- bruto, althans een zoveel hogere of lagere vergoeding als het hof in goede justitie bepaalt, te vermeerderen met wettelijke rente;
een en ander met veroordeling van [de werkgever] in de kosten van beide instanties.