Uitspraak
datum beslissing 17 mei 2021
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen drie raadsheren van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, team Belastingrecht, stellende dat de rechtspraak partijdig zou zijn ten gunste van de Belastingdienst, mede gebaseerd op het rapport “Ongekend onrecht” en andere publicaties.
Het wrakingsverzoek werd ontvangen één dag voor de geplande mondelinge behandeling, wat te laat was volgens artikel 8:15 van Pro de Awb. Bovendien richtte het verzoek zich deels tegen raadsheren die niet betrokken waren bij de behandeling van het hoger beroep, waardoor het verzoek niet als wrakingsverzoek in de zin van de Awb kon worden aangemerkt.
De wrakingskamer overwoog dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij sprake is van uitzonderlijke omstandigheden met zwaarwegende aanwijzingen voor vooringenomenheid. Verzoeker bracht geen concrete feiten aan die de onpartijdigheid van de behandelende raadsheren aantonen.
Daarom verklaarde de wrakingskamer het verzoek niet-ontvankelijk en bepaalde dat de hoofdzaak wordt voortgezet zoals die stond ten tijde van het wrakingsverzoek.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de raadsheren wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-tijdige indiening en gebrek aan concrete feiten.