ECLI:NL:GHSHE:2021:1828

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
17 mei 2021
Publicatiedatum
15 juni 2021
Zaaknummer
200.293.543_01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 8:16 lid 1 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek tegen raadsheren Belastingrecht Hof 's-Hertogenbosch

Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen drie raadsheren van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, team Belastingrecht, stellende dat de rechtspraak partijdig zou zijn ten gunste van de Belastingdienst, mede gebaseerd op het rapport “Ongekend onrecht” en andere publicaties.

Het wrakingsverzoek werd ontvangen één dag voor de geplande mondelinge behandeling, wat te laat was volgens artikel 8:15 van Pro de Awb. Bovendien richtte het verzoek zich deels tegen raadsheren die niet betrokken waren bij de behandeling van het hoger beroep, waardoor het verzoek niet als wrakingsverzoek in de zin van de Awb kon worden aangemerkt.

De wrakingskamer overwoog dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij sprake is van uitzonderlijke omstandigheden met zwaarwegende aanwijzingen voor vooringenomenheid. Verzoeker bracht geen concrete feiten aan die de onpartijdigheid van de behandelende raadsheren aantonen.

Daarom verklaarde de wrakingskamer het verzoek niet-ontvankelijk en bepaalde dat de hoofdzaak wordt voortgezet zoals die stond ten tijde van het wrakingsverzoek.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de raadsheren wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-tijdige indiening en gebrek aan concrete feiten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Wrakingskamer
registratienummer wraking 200.293.543/01
datum beslissing 17 mei 2021
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakings- en verschoningsverzoeken,
inzake het schriftelijke verzoek tot wraking als bedoeld in artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van 28 april 2021.
in de zaak met nummer 20/00436 van
[verzoeker],
wonend in [woonplaats],
hierna: verzoeker,
tegen:
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur,
strekkende tot wraking van mrs. M.J.C. Pieterse (voorzitter) (hierna: mr. Pieterse), L.B.M. Klein Tank (hierna: mr. Klein Tank) en W.A. Sijberden (hierna: mr. Sijberden), raadsheren in het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch, team Belastingrecht (hierna gezamenlijk aan te duiden als de raadsheren).

1.Het procesverloop

1.1
Bij het team belastingrecht van het hof is onder nummer 20/00436 een procedure aanhangig waarbij verzoeker als partij betrokken is.
1.2.
De mondelinge behandeling van deze zaak was gepland op 29 april 2021 om 13.45 uur.
1.3.
Het wrakingsverzoek van verzoeker is ter griffie van dit hof ontvangen op 29 april 2021.
1.4.
Mrs. Pieterse, Klein Tank en Sijberden hebben niet in de wraking berust. Zij hebben een schriftelijke reactie op het verzoek aan het hof toegezonden. Deze reactie wordt gelijk met deze uitspraak aan verzoeker toegezonden.

2.Het standpunt van verzoeker

De verzoeker stelt zich op het standpunt dat reden voor wraking bestaat omdat uit het rapport “Ongekend onrecht” volgt dat de rechtspraak in Nederland te veel de oren laat hangen naar de Belastingdienst en er dus sprake is van partijdigheid. Tot het moment dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een programma van zelfreflectie heeft afgerond (planning oktober 2021) en de voorgenomen parlementaire enquête naar de toeslagenaffaire is afgerond (najaar 2021), acht verzoeker de rechtspraak en dus ook het gerechtshof onvoldoende genezen van partijdigheid.

3.De beoordeling

3.1.
Ingevolge artikel 8:15 van Pro de Awb kan elk van de rechters die een zaak behandelen, door een partij worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2.
Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6, lid 1, EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
3.3.
Het hof stelt voorop dat de kern van het wrakingsverzoek is gelegen in het ontbreken van vertrouwen in de rechtspraak als geheel, in het bijzonder de bestuursrechtspraak. Een verzoek tot wraking dient gericht te zijn tegen de rechters die de zaak van de betrokken partij behandelen. Voor zover het verzoek leden van het gerechtshof betreft die niet met de behandeling van verzoekers hoger beroep zijn belast, is geen sprake van een wrakingsverzoek in de zin van de Awb. [1] Voor zover het verzoek is gericht tegen de raadsheren die de zaak behandelen, overweegt de wrakingskamer als volgt.
3.4.
De wrakingskamer is van oordeel dat het wrakingsverzoek niet tijdig is ingediend. Het door belanghebbende genoemde rapport “Ongekend onrecht” is reeds op 17 december 2020 aan de Tweede Kamer aangeboden. De wrakingskamer ziet voorts in de door verzoeker aangehaalde publicaties (van latere datum) geen rechtvaardiging voor het late tijdstip van indiening van het wrakingsverzoek. Een verzoek tot wraking dient te worden gedaan, zodra de feiten en omstandigheden waarop het verzoek is gebaseerd aan de verzoeker bekend zijn geworden. [2] Verzoeker heeft gewacht tot één dag voor de zitting met het indienen van het wrakingsverzoek en daarmee is het verzoek te laat ingediend en niet-ontvankelijk.
3.5.
De wrakingskamer merkt overigens op dat in het wrakingsverzoek slechts in algemene zin wordt verwezen naar de toeslagenaffaire en de rol van de rechtspraak daarin, maar dat in het verzoek op geen enkele wijze ten aanzien van de behandelende raadsheren een concreet feit wordt aangevoerd op grond waarvan de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.
3.6.
Op grond van het voorgaande dient het verzoek tot wraking van de raadsheren niet-ontvankelijk te worden verklaard.

4.De beslissing

Het hof:
verklaart het verzoek tot wraking niet-ontvankelijk;
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek;
beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoeker, alsmede aan de raadsheren mrs. Pieterse, Klein Tank en Sijberden.
Deze beslissing is gegeven door mrs. T.A. Gladpootjes (voorzitter), J.P. de Haan en M. van Ham in tegenwoordigheid van mr. J.M.A. van Rooij-Beckers als griffier en in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2021.

Voetnoten

1.Hoge Raad 12 mei 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX2303.
2.Artikel 8:16, lid 1, Awb.