De heffingsambtenaar stelde de woning en mantelzorgwoning afzonderlijk vast voor de WOZ-waarde per 1 januari 2017. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze afbakening en waarde, waarna de rechtbank oordeelde dat woning en mantelzorgwoning als één onroerende zaak moesten worden aangemerkt en vernietigde de WOZ-beschikking.
In hoger beroep stelde het hof vast dat de mantelzorgwoning voldoet aan de criteria voor een afzonderlijk object (afsluitbaar, eigen kookgelegenheid en sanitaire voorzieningen). Omdat de mantelzorgwoning door de ouders van belanghebbende wordt bewoond en de woning door belanghebbende zelf, is er geen sprake van dezelfde gebruiker, waardoor de objecten niet als één onroerende zaak kunnen worden beschouwd.
De heffingsambtenaar onderbouwde de WOZ-waarde van de woning met een taxatierapport waarin referentieobjecten werden vergeleken. Het hof oordeelde dat deze vergelijking adequaat was en dat het aankoopbedrag van belanghebbende uit 2015, vanwege familiebanden en afwijkende omstandigheden, niet representatief was voor de marktwaarde.
Het hof verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond. De WOZ-waarde van de woning werd daarmee bevestigd. Er werd geen griffierecht geheven en geen proceskosten toegewezen.