Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.De procedure in het kort
2.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/350318 / HA ZA 18-647)
3.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven;
- de memorie van antwoord met producties 29 tot en met 37;
- de mondelinge behandeling van 17 februari 2021.
4.De beoordeling
conventie, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, en voor zover in hoger beroep van belang:
reconventieingesteld. De man vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, na vermeerdering van eis en voor zover in hoger beroep van belang:
Uiteraard, voor zover hij deze spullen niet nadien al heeft gekregen. Wij spreken verder af dat de feitelijke verdeling pas zal plaatsvinden op het moment dat de woning aan de vrouw wordt toebedeeld dan wel op een moment dat de woning leeg opgeleverd dient te worden voor levering aan een derde koper. De man zal dan de spullen komen ophalen bij de woning. Na deze feitelijke verdeling hebben wij over en weer ten aanzien van de inboedel niets meer van elkaar te vorderen. (…)”
in slaapkamer 1:- kledingkast
- buitenkeuken, inclusief koelkast, bbq en gasflessen
(…)”
vrouwheeft in hoger beroep haar in eerste aanleg ingestelde (reconventionele) vorderingen deels gehandhaafd en deels gewijzigd. Zij vordert in hoger beroep:
subsidiairde man te veroordelen tot jaarlijkse betaling aan de vrouw van het premievoordeel dat de vrouw zou hebben genoten indien de verzekeraar wel met de verdeling bij helften van de tot dat jaar opgebouwde schadevrije jaren had willen instemmen;
kosten rechtens.
- de verdeling van de inboedel (grief 1)
- de eigenaarslasten van de woning (grieven 2 en 3)
- de bankkosten en de premie inboedelverzekering (grief 4)
- de schadevrije jaren in de autoverzekering (grief 5)
manheeft de grieven weersproken en hij heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep.
vrouwvoert ter toelichting het volgende aan.
De buitenkeuken is eveneens aan te merken als een werk dat duurzaam is verenigd met de aan de vrouw toegedeelde grond en woning. Daarmee is de buitenkeuken ook haar eigendom geworden.
manvoert hiertegen het volgende aan.
hofzal eerst beslissen over de vraag of tussen partijen een overeenkomst over de verdeling van de inboedel (en in het bijzonder de buitenkeuken en kledingkast) tot stand is gekomen. Vervolgens wordt het beroep van de vrouw op bestanddeelvorming in de zin van art. 3:4 BW Pro besproken.
hofstelt voorop dat een rechtshandeling (i) een op een rechtsgevolg gerichte wil vereist die (ii) zich door een verklaring heeft geopenbaard (art. 3:33 BW Pro). Daarnaast is van belang art. 3:35 BW Pro, dat bepaalt dat (iii) tegen hem die een anders verklaring heeft opgevat als een door de ander tot hem gerichte verklaring van een bepaalde strekking, geen beroep kan worden gedaan op het ontbreken van een met deze verklaring overeenstemmende wil (de zgn. wilsvertrouwensleer). Degene die een beroep doet op deze wils-vertrouwensleer, in dit geval de vrouw, moet daartoe feiten en omstandigheden stellen.
vrouwstelt verder dat de kledingkast en de buitenkeuken een bestanddeel vormen van de woning en daarmee, zo begrijpt het hof, na de toedeling van de woning aan haar op grond van het bepaalde in art. 5:3 in Pro samenhang met art. 3:4 BW Pro haar eigendom zijn geworden. Natrekking zou daarmee in de weg staan aan toedeling van de kledingkast en de buitenkeuken aan de man. De
manheeft gemotiveerd betwist dat de kledingkast en de buitenkeuken een bestanddeel vormen van de woning.
hofstelt vast dat voor zover zou komen vast te staan dat de kledingkast en de buitenkeuken een bestanddeel vormen van de woning, de vrouw in gebreke is gebleven om een nadere toelichting te geven waarom het partijen in dat geval niet vrij zou staan om afspraken te maken over de toedeling van de kledingkast en de buitenkeuken. Het beroep van de vrouw op natrekking faalt om die reden.
vrouwvoert ter toelichting op haar grieven het volgende aan.
- periode 1 (van 1 april 2016 tot 1 mei 2017);
- periode 2 (van 1 mei 2017 tot 1 januari 2018);
- periode 3 (van 1 januari 2018 tot 29 november 2019).
manwijst erop dat partijen zijn overeengekomen dat hij in het kader van de betaling van de eigenaarslasten een maandelijkse bijdrage van € 341,96 aan de vrouw diende te voldoen. Daarnaast wijst de man op het feit dat hij bedragen heeft moeten verrekenen met zijn bijdrage in de eigenaarslasten omdat de vrouw niet bereid bleek om haar aandeel in door hem betaalde lasten, die bij helfte voor haar rekening dienden te komen, aan de man te betalen.
hofstelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat zij zijn overeengekomen dat ieder van hen maandelijks, ingaande 1 april 2016, de helft van de eigenaarslasten van de betreffende woning voor zijn/haar rekening zou nemen door tijdige betaling aan de betreffende crediteur, waarbij onder de eigenaarslasten worden verstaan: de hypotheekrente, de gekoppelde premie levensverzekering en het forfait eigenaarslasten. De vrouw vordert in hoger beroep nakoming van die overeenkomst.
hofzal uitgaan van de door de vrouw berekende bruto eigenaarslasten over periode 2 nu de juistheid van die berekening op zichzelf genomen niet door de man wordt betwist.
vrouwstelt dat als gevolg van de fiscale behandeling van de eigenwoningschuld in geval van echtscheiding de hypotheekrenteaftrek voor, in dit geval, de man na verloop van twee jaar vervalt na het moment waarop hij uit de echtelijke woning vertrok en het verzoekschrift echtscheiding werd ingediend. De vrouw wijst er voorts op dat partijen zich daarvan bewust waren ten tijde van de totstandkoming van hun overeenkomst over de draagplicht van de eigenaarslasten. Dit betekent volgens de vrouw dat de omvang van de eigenaarslasten vanaf 1 januari 2018 wordt bepaald op basis van de bruto hypotheeklasten en dat de man geen aanspraak kan maken op de door de vrouw genoten hypotheekrenteaftrek. Dat belastingvoordeel komt immers slechts de vrouw toe.
manheeft in eerste aanleg en ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep naar voren gebracht dat partijen bij de verdeling van de eigenaarslasten altijd van de netto woonlasten zijn uitgegaan. Dat is de strekking geweest van de overeenkomst die partijen met betrekking tot de eigenaarslasten hebben gesloten.
hofstelt voorop dat het geschil van partijen zich toespitst op de uitleg van hun afspraken met betrekking tot de tussen partijen overeengekomen draagplicht betreffende de eigenaarslasten van de woning. Volgens vaste rechtspraak dient ook de uitleg van een overeenkomst mede te geschieden aan de hand van de Haviltex-maatstaf. De Haviltex-maatstaf (HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158) luidt als volgt:
Saldo spaarrekening
manstelt dat hij een aantal bedragen kan verrekenen met de vrouw. Hij wijst ten eerste op een bedrag van € 13.858,66 dat de vrouw op 25 september 2015 van de gezamenlijke spaarrekening als “buffer” naar haar eigen bankrekening heeft overgemaakt. Daarnaast is de op die rekening ontvangen rente over 2015 van € 888,11 volledig aan haar ten goede gekomen. Op het totaal van € 14.746,67 kan, volgens de man, een bedrag van € 3.765,44 in mindering strekken. Dit zijn door de vrouw in de periode van september 2015 tot en met april 2016 betaalde bedragen die bij helfte voor rekening van partijen komen.
vrouwbetwist dat de man de door hem genoemde bedragen mag verrekenen met de vrouw. Zij wijst erop dat de door de man genoemde saldi dateren van vóór de peildatum. Verder stelt zij dat de door de man genoemde bedragen, na zijn vertrek uit de woning in oktober 2015, door haar zijn aangewend ter voldoening van de kosten van de huishouding. Ten slotte wijst de vrouw erop dat partijen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in eerste aanleg overeenstemming hebben bereikt over onder meer het saldo van de gezamenlijke spaarrekening van partijen en de saldi van de eigen bankrekeningen.
rechtbankhet volgende:
hofstelt vast dat de man geen grieven heeft gericht tegen deze overweging van de rechtbank. Daarmee moet het ervoor worden gehouden dat partijen volledige overeenstemming hebben bereikt over de verdeling van de (spaar)gelden en kan het beroep van de man op verrekening niet slagen.
Belasting Samenwerking West Brabant / aanslagen IB 2015 en 2016
manstelt dat hij de helft van de door hem, over de periode 2016 tot en met 2019, betaalde aanslagen van Belasting Samenwerking West Brabant met de vordering van de vrouw mag verrekenen. De man berekent zijn vordering op de vrouw op € 2.318,03. Verder stelt hij dat hij de helft van de door hem betaalde aanslagen IB 2015 en 2016 mag verrekenen met de vordering van de vrouw. Deze aanslagen bedragen respectievelijk € 1.025,-- en € 2.899,-- zodat zijn vordering tot verrekening € 1.962,-- bedraagt.
vrouwheeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard in te stemmen met de door de man verzochte verrekening met dien verstande dat de vrouw al een bedrag van € 257,-- aan de man heeft betaald. Dit laatste heeft de man niet betwist.
rechtbankoverwoog daartoe:
vrouwlicht haar grief als volgt toe.
manvoert hiertegen aan dat hij in redelijkheid niet hoeft bij te dragen aan het verzekeren van inboedelzaken die voor het overgrote deel niet aan hem toebehoren en evenmin voor het deel dat wel aan hem toebehoort maar waarvan hij door de houding van de vrouw de afgelopen jaren geen gebruik van heeft kunnen maken. Het lag op de weg van de vrouw om de inboedelzaken die na de echtscheiding in haar bezit waren te verzekeren en hiervan de kosten te dragen. Ter zake van de bankkosten wijst de man nog op het feit dat de vrouw de bank opdracht heeft gegeven om de bankpas van de man te blokkeren. De man had als gevolg daarvan geen inzage meer in het verloop van de gezamenlijke rekening bij ABN AMRO bank en kon ook geen transacties meer verrichten. Hij acht het op grond hiervan niet redelijk en billijk dat hij zou moeten bijdragen aan de bankkosten.
hofbegrijpt dat de vrouw een beroep doet op art. 6:10 BW Pro. Dit artikel bepaalt dat de hoofdelijk schuldenaren, ieder voor het gedeelte van de schuld dat hen in hun onderlinge verhouding aangaat, overeenkomstig de volgende leden van dat artikel verplicht zijn bij te dragen in de schuld en in de kosten. Artikel 6:10 lid 2 BW Pro bepaalt dat de verplichting om bij te dragen in de schuld die ten laste van een van de hoofdelijk schuldenaren wordt gedelgd voor meer dan het gedeelte dat hem aangaat, voor het bedrag van dit meerdere komt te rusten op iedere medeschuldenaar.
vrouwlicht haar grief als volgt toe.
manvoert verweer.
hofstelt bij de beoordeling van deze grief voorop dat de huwelijksgemeenschap wordt gevormd door goederen en schulden van de echtgenoten (art. 1:94 BW Pro oud). Teneinde te kunnen vaststellen of de no-claimkorting moet worden aangemerkt als een goed en daarmee tot de huwelijksgemeenschap behoort, is vereist dat die no-claimkorting een vermogensrecht is (art. 3:1 in Pro verbinding met art. 3:6 BW Pro). Volgens art. 3:6 BW Pro zijn vermogensrechten rechten die, hetzij afzonderlijk hetzij tezamen met een ander recht, overdraagbaar zijn, of er toe strekken de rechthebbende stoffelijk voordeel te verschaffen, ofwel verkregen zijn in ruil voor verstrekt of in het vooruitzicht gesteld stoffelijk voordeel. Tussen partijen is niet in geschil dat de no-claimkorting niet zelfstandig overdraagbaar is (omdat daarvoor de medewerking van de verzekeraar nodig is) en niet los kan worden gezien van de autoverzekering van de man. Het hof merkt de no-claimkorting daarom aan als een persoonlijke korting van de man (in zijn hoedanigheid van verzekeringnemer) op de door de verzekeraar geheven premie. Daarmee is geen sprake van een vermogensrecht in de zin van art. 3:6 BW Pro, dat derhalve ook geen deel kan uitmaken van de huwelijksgemeenschap van partijen en waardoor verdeling hiervan niet mogelijk is. Dit betekent ook dat het subsidiaire verzoek van de vrouw niet voor toewijzing vatbaar is.