ECLI:NL:GHSHE:2020:395
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over schenkbelastingtarief en vrijstelling op grond van Successiewet 1956
Belanghebbende ontving in 2016 een schenking van haar tante, die door de inspecteur werd belast met 30% schenkbelasting volgens tariefgroep II. Belanghebbende stelde dat op grond van artikel 14 EVRM Pro het lagere tarief van 10% (tariefgroep I) van toepassing moest zijn en dat een vrijstelling van artikel 33, aanhef en onder 8, van de Successiewet 1956 op haar situatie van toepassing was.
De rechtbank wees het beroep van belanghebbende af, waarna zij hoger beroep instelde bij het gerechtshof. Tijdens de zitting erkende belanghebbende dat zij over een eigen woning met een overwaarde van maximaal €20.000 beschikte, waardoor volgens het hof de vrijstellingsbepaling niet van toepassing was op de advocaatkosten van €15.440.
Het hof overwoog dat het onderscheid in tariefgroepen, gebaseerd op verwantschap, binnen de ruime beoordelingsvrijheid van de wetgever valt en niet in strijd is met artikel 14 EVRM Pro. De eerdere arresten van de Hoge Raad ondersteunen deze conclusie. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat de schenking belast blijft met 30% schenkbelasting en wijst het beroep op vrijstelling en het gelijkheidsbeginsel af.