Uitspraak
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- het beroepschrift met het procesdossier van de eerste aanleg en productie 30, ingekomen ter griffie op 17 december 2019;
- het verweerschrift met producties 21 t/m 25, ingekomen ter griffie op 6 maart 2020;
- een faxbericht van [de werknemer] d.d. 9 januari 2020 met het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 20 augustus 2020 (inclusief de spreekaantekeningen);
- een brief van [de werknemer] met producties 31 t/m 35, ingekomen ter griffie op 19 mei 2020;
- een brief van Intertek met producties 26 t/m 28, ingekomen ter griffie op 31 augustus 2020;
- een brief van [de werknemer] met productie 36, ingekomen ter griffie op 14 oktober 2020;
3.De beoordeling
- Het eenmalige aanbod (na goedkeuring door het comité) is een exit bonus die eenmalig wordt betaald als zijnde € 20.000 bruto bij het overeenkomen van de uitdiensttreding in het kalenderjaar 2019. (…) Verder kunnen maximaal 5 personen in aanmerking komen voor deze vergoeding van € 20.0000 bruto. Halverwege het jaar zal opnieuw bekeken worden of de regeling wordt verlengd voor de tweede helft van het jaar en of er nog een noodzaak is om opnieuw 5 personen hiervan gebruik te laten kunnen maken.
- De uitdiensttreding zal eventueel geregeld worden via een vaststellingsovereenkomst zodat de medewerker op basis van de vaststellingsovereenkomst in aanmerking kan komen voor een eventuele WW-uitkering.’
primairte bepalen dat [de werknemer] recht heeft op een transitievergoeding van € 82.626,-- bruto,
subsidiairte bepalen dat [de werknemer] recht heeft op een bedrag van € 20.000,-- bruto,
meer subsidiaireen bedrag van € 10.000,-- bruto.
primairdat Intertek aan [de werknemer] dient te betalen de volledige transitievergoeding ex artikel 7:673 BW Pro ten bedrage van € 82.626,58 bruto, althans een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 maart 2019, subsidiair vanaf 1 juli 2019, meer subsidiair vanaf de dag van het verzoekschrift in eerste aanleg tot aan de dag der algehele voldoening;
subsidiairte bepalen dat Intertek aan [de werknemer] dient te betalen een bedrag van
meer subsidiaireen bedrag van € 10.000,-- bruto,
Het hof volgt [de werknemer] hierin niet.
[de werknemer] heeft in zijn e-mail van 29 maart 2019 aan Intertek geschreven dat hij zijn arbeidsovereenkomst wil beëindigen om zijn carrière elders voort te zetten. Hieruit volgt dat [de werknemer] op eigen initiatief zijn arbeidsovereenkomst heeft opgezegd. Dat de reden voor de opzegging door [de werknemer] enerzijds was gelegen in de bij hem bestaande onzekerheid over het voortbestaan van zijn afdeling ( [afdeling] business) en hij anderzijds toe was aan een nieuwe uitdaging, maakt dit niet anders. Het is de eigen keuze van [de werknemer] geweest om zijn arbeidsovereenkomst op te zeggen.
Het standpunt van [de werknemer] dat de arbeidsovereenkomst op initiatief van Intertek is beëindigd wordt verworpen. De conclusie is dat [de werknemer] zelf, op eigen initiatief, de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd.
Kamerstukken II2013/14, 33818, nr. 3, p. 34) vloeit voort dat het bij ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever gaat om uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld indien sprake is van laakbaar gedrag van de werkgever of indien de werkgever de verplichtingen die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst grovelijk niet nakomt.
Gelet op dit verweer van Intertek heeft [de werknemer] zijn betoog onvoldoende (nader) onderbouwd. Het hof passeert dan ook het bewijsaanbod van [de werknemer] , dat overigens niet ziet op zijn persoonlijke situatie maar op de situatie van [collega 1] .
denkrichtingvan Intertek om de vertrekregeling te verlengen voor tien medewerkers en moest zij nog in overleg met de OR over de voorgenomen aanpassingen. Ook is in de presentatie gemeld dat de toekomst zal uitwijzen of daadwerkelijk tien personen van de regeling gebruik gaan maken. Daarmee is de mededeling op 24 januari 2019, ondanks toepassing van de vertrekregeling al vóór 1 maart 2019 bij twee medewerkers, naar het oordeel van het hof geen (harde) toezegging van Intertek dat tien personen gebruik mochten maken van de regeling. Voorts heeft [de werknemer] niet onderbouwd dat hij (als één van die tien personen) daadwerkelijk gebruik had mogen maken van de vertrekregeling, als zijn aanvraag wel tijdig was geweest en/of in behandeling was genomen. Zoals ook door Intertek betoogd, was het immers maar de vraag of de commissie zijn aanvraag had goedgekeurd, nu al twee medewerkers van het [afdeling] -segment waren vertrokken. De door [de werknemer] als productie 36 in het geding gebrachte (ongedateerde) interne memo van de voormalig directeur van Intertek waarin staat dat er goedkeuring is voor verlenging van de vertrekregeling voor tien personen, maakt het voorgaande niet anders.