Belanghebbende, aandeelhouder en werkzaam in een accountantspraktijk, deed over de jaren 2010 tot en met 2014 geen aangifte inkomstenbelasting ondanks herhaalde aanmaningen. De inspecteur stelde daarom ambtshalve aanslagen vast, inclusief verzuimboetes tot het maximale bedrag vanwege eerdere niet-ingediende aangiften over 2008 en 2009.
Belanghebbende diende alsnog ingevulde aangiftebiljetten in bij bezwaar, maar deze werden niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde bij het hof.
Het hof oordeelde dat door het niet doen van aangifte de bewijslast is omgekeerd en verzwaard, waardoor belanghebbende overtuigend moest aantonen dat de aanslagen te hoog waren vastgesteld. Dit is niet gebeurd; zijn stellingen werden niet ondersteund met bewijs. De inspecteur had de schattingen van het belastbaar inkomen gebaseerd op redelijke en feitelijke gronden, waaronder gebruikelijk loon volgens de wet en eigen aangeleverde cijfers.
De opgelegde verzuimboetes werden passend geacht, aangezien belanghebbende stelselmatig naliet aangifte te doen, ondanks zijn kennis van financiële en fiscale zaken. Ook de medische omstandigheden en vermeende onmacht werden niet als afwezigheid van alle schuld erkend. Het hof verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.