Uitspraak
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- het beroepschrift met het procesdossier van de eerste aanleg en producties, ingekomen ter griffie op 24 december 2019;
- een productie van [appellant] ingekomen ter griffie op 22 januari 2020;
- het verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 4 februari 2020;
3.De beoordeling
Met ingang van vandaag is [appellant] gestopt als Supervisor Magazijn bij [Staalhandel] Staalhandel. Vanwege verschillen van inzicht over de invulling van de functie is de samenwerking beëindigd. (…)”
Verder zag [verweerster] geen herplaatsingsmogelijkheden voor [appellant] in verband met zijn houding en opstelling, alsmede het tekortschietend functioneren van [appellant] . Partijen communiceren volgens [verweerster] sinds 21 maart 2018 voornamelijk door tussenkomst van juridisch adviseurs.
Het hof verwerpt het verweer van [verweerster] dat [appellant] niet heeft gesteld welke functie beschikbaar was en passend zou zijn geweest. De inspanningsverplichting uit artikel 7:669 lid 1 BW Pro rust op de werkgever. Dit betekent naar het oordeel van het hof dat bij [verweerster] het initiatief lag om in overleg met [appellant] te bezien welke functies passend zijn en vervolgens intern binnen het bedrijf en elders in het concern daarnaar onderzoek te doen. [appellant] heeft in dit kader ter zitting in hoger beroep bovendien toegelicht dat naast de functie van supervisor, de in januari 2019 vrijgekomen functie van meewerkend voorman passend was geweest en dat hij, zoals uit zijn cv blijkt, kon worden ingezet bij het bedrijfsbureau waar een uitzendkracht werkzaam was. Dat [verweerster] is nagegaan of deze functies beschikbaar waren of zouden komen is niet gesteld of gebleken.
4.De beslissing
€ 720,00 aan salaris gemachtigde in eerste aanleg en op € 324,00 aan griffierecht en
€ 2.148,00 aan salaris gemachtigde in hoger beroep;