Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 6521550 / 17-5220)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep met grieven;
- de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met een productie (het proces-verbaal van comparitie in eerste aanleg);
- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep.
3.De beoordeling
transacties via pinpassen, € 29.050,-- totaal
een bedrag van € 10.350,--
een bedrag van € 18.700,--
kantonrechterheeft ook dit bedrag toegewezen en wel wegens onverschuldigde betaling, de primaire grondslag Van [geïntimeerde] . [appellante] heeft volgens de kantonrechter zonder rechtsgrond - andere dan in de strafzaak bewezen verklaarde - gelden opgenomen die toebehoren aan [geïntimeerde] en zich deze toegeëigend. De kantonrechter heeft overwogen dat [appellante] geen verklaring heeft kunnen geven voor wat met deze gelden is gebeurd en waarvoor deze zijn aangewend. [appellante] heeft de stellingen van [geïntimeerde] enkel ongemotiveerd ontkend en dat is onvoldoende, aldus de kantonrechter. Het had op de weg van [appellante] gelegen om deugdelijk gemotiveerd verweer te voeren (5.2.2. vonnis). Daarbij staat vast dat [appellante] digitale gegevens (van de financiële administratie) heeft laten verdwijnen en dat geld is opgenomen van de genoemde bankrekeningen in de vakantieperiode toen de tandartspraktijk gesloten was (5.2.3. vonnis).
eerste griefbezwaar gemaakt tegen de overweging van de kantonrechter in 5.1. dat artikel 152 Rv Pro geldt voor de door de strafrechter niet bewezen verklaarde feiten en dat de civiele rechter niet gebonden is aan het oordeel van de strafrechter dat een feit niet bewezen is verklaard.
tweede griefkomt [appellante] op tegen het oordeel van de kantonrechter in 5.2.2. dat het - kort gezegd - op de weg van [appellante] had gelegen om gemotiveerd verweer te voeren en dat zij dat niet heeft gedaan.
derde griefvan [appellante] is gericht tegen de overweging dat vast staat dat [appellante] digitale gegevens van de financiële administratie heeft laten verdwijnen. Zij stelt dat in de strafrechtelijke procedure op verzoek van de verdediging de administratie van [geïntimeerde] is overgelegd.
vierde griefvan [appellante] is gericht tegen 5.2.5 van het vonnis. In de toelichting wordt slechts naar de eerdere grieven verwezen.
kasopnames, € 546,46
kantonrechterheeft overwogen dat [appellante] geen verklaring heeft kunnen geven voor de desbetreffende kasopnames. Ook hier achtte de kantonrechter de enkele ongemotiveerde ontkenning van [appellante] onvoldoende (5.2.2. vonnis). Uit de stukken blijkt dat tijdens de vakantiesluiting van de tandartspraktijk kasopnames zijn gedaan, terwijl daarvoor geen aanleiding was (5.2.3. vonnis). De kantonrechter wees ook deze vordering toe op grond van onverschuldigde betaling.
vierde griefheeft [appellante] ook bezwaar gemaakt tegen de toewijzing van het bedrag van € 546,46 betreffende de kasopnames door de kantonrechter (5.2.5. vonnis).
afwikkelen facturen patiënten, € 17.565,06
kantonrechterheeft het beroep van [appellante] op verjaring gehonoreerd. De kantonrechter heeft vastgesteld dat de verjaringstermijn op grond van artikel 3:310 BW Pro vijf jaar is. De verjaring is niet gestuit door de brieven aan [appellante] van 15 maart 2012 en 25 juli 2016 (zie 3.1 De feiten) omdat uit die brieven niet blijkt dat [appellante] werd gesommeerd de schade te vergoeden die door [geïntimeerde] is geleden als gevolg van het niet deugdelijk afwikkelen van de facturering. Het beroep op verjaring slaagt omdat tussen de schade toebrengende feiten en het instellen van de vordering bij dagvaarding meer dan vijf jaar is gelegen (5.3.4. vonnis).
eerste griefaangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte niet heeft beslist op haar stelling dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [appellante] zich met succes op verjaring zou kunnen beroepen.
onbevoegd afsluiten van contracten, € 11.344,82
kantonrechterheeft het beroep van [appellante] op verjaring gehonoreerd. [appellante] is bij brief van 15 maart 2012 weliswaar aansprakelijk gesteld voor de door [geïntimeerde] geleden schade als gevolg van onder meer het onbevoegd aangaan van duurcontracten met derden, maar vervolgens heeft het meer dan vijf jaar geduurd voordat de dagvaarding aan [appellante] is betekend. De brief van 25 juli 2016 bevat volgens de kantonrechter geen stuitingshandeling omdat het onbevoegd afsluiten van contracten daarin niet is vermeld (5.4.2. vonnis).
tweede griefbetoogd dat het - mede gezien de inhoud van de brief van 15 maart 2012 - voor [appellante] duidelijk moet zijn geweest dat het voorbehoud ten aanzien van de geleden schade in de brief van 25 juli 2016 mede zag op de contractenkwestie. Laatstgenoemde brief moet dus ook als stuitingshandeling met betrekking tot die kwestie worden gezien.
Ook kan niet worden vastgesteld dat sprake is van onrechtmatig handelen van [appellante] jegens [geïntimeerde] als bedoeld in art. 6:162 BW Pro.
Salarisbetalingen, € 3.953,98 totaal
kantonrechterheeft deze vordering wegens onverschuldigde betaling toegewezen onder meer omdat [appellante] verantwoordelijk was voor alle salarisbetalingen, dus ook die aan haarzelf, en omdat niet is gebleken dat [geïntimeerde] toestemming voor die extra salarisbetalingen heeft gegeven (5.5.2. vonnis).
vijfde griefgericht tegen laatstgenoemde overweging. Zij heeft in eerste aanleg (slechts) gesteld dat zij op dit onderdeel is vrijgesproken. In hoger beroep heeft zij ongemotiveerd gesteld:
gemaakte kosten administratie en accountant, € 18.948,75 totaal
kantonrechterheeft geoordeeld dat de kosten van de accountant en de kosten voor het inhuren van personeel om de administratie te onderzoeken en te ordenen vallen onder redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid ex artikel 6:96 lid 2 sub b BW Pro en heeft deze posten toegewezen (5.6.2. en 5.7. vonnis).
zesde griefgesteld dat justitie reeds een strafrechtelijk financieel onderzoek heeft gedaan en dat het daarom niet nodig was om de boekhouding te onderzoeken. Verder heeft zij gesteld dat zij geschorst is geweest en dat het daarom niet voor haar rekening en risico komt dat de administratie in dozen en plastic zakken is opgeborgen. In eerste aanleg heeft [appellante] betwist dat de kosten zijn gemaakt en gesteld dat deze extreem hoog zijn, en heeft zij zich beroepen op verjaring.
Kosten [vorige advocaat van geintimeerde] , € 4.368,43
kantonrechterheeft deze post afgewezen omdat de kosten ofwel vallen onder artikel 6:96 lid 2 BW Pro ofwel verdisconteerd zijn in de proceskostenveroordeling (5.6.3. vonnis).
derde griefbezwaar gemaakt tegen de afwijzing van deze post. Zij heeft met verwijzing naar ECLI:NL:GHSHE:2012:BX2652 r.o. 4.4.22. betoogd dat de kosten van [vorige advocaat van geintimeerde] toewijsbaar zijn, omdat deze niet hadden behoeven te worden gemaakt als [appellante] ‘niet had gedaan wat zij heeft gedaan’.
Beslagkosten, € 581,86
kantonrechterheeft deze vordering toegewezen onder verwerping van het verweer van [appellante] dat het beslag niet nodeloos is gelegd omdat het strafrechtelijke beslag niet ten behoeve van [geïntimeerde] is gelegd (5.6.4. vonnis).
zevende griefbetoogd dat als [geïntimeerde] zich als benadeelde partij zou hebben gesteld in de strafzaak, zij gebruik had kunnen maken van het beslag dat het OM heeft gelegd.
grieven 8 en 9van
[appellante]en
grief 4van
[geïntimeerde]. Deze grieven behoeven geen afzonderlijke behandeling.