Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
5.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 7 augustus 2018 waarbij het hof een pleidooi heeft gelast;
- het namens [geïntimeerde] op 27 september 2018 ingediende H3-formulier, waarbij een akte overlegging producties (producties 10 tot en met 12) is overgelegd;
6.De beoordeling
Ik heb zojuist met mijn vader gesproken en hem verteld dat ik het proces tegen [onderneming] gewonnen heb. Zoals besproken heb ik hem ook verteld dat [onderneming] mij niet ontvankelijk zou kunnen verklaren omdat hij, toen ik in 1997 het proces begon, directeur van de hoofdvestiging was, en ik formeel een filiaalhouder.
- dat de vestiging [plaats 2] sinds 28 oktober 1997 voor rekening van [betrokkene 1] werd gedreven,
- dat de vestiging [plaats 3] sinds 1 januari 2002 voor rekening van [appellant] werd gedreven en
- dat de vestiging [plaats 1] sinds 31 mei 2002 voor rekening van [BV] B.V. werd gedreven,
veronderstellenderwijsvanuit dat hetgeen [appellant] heeft aangevoerd over het optreden van mr. [advocaat 1] , zoals dat zakelijk is weergegeven in rechtsoverweging 6.8.3.1, inderdaad een beroepsfout van mr. [advocaat 1] oplevert. Uitgaande van die veronderstelling is dan verder van belang dat gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde] vanaf het moment dat zij als opdrachtnemer van [appellant] heeft te gelden, er blijk van heeft gegeven dat zij voormelde beroepsfout van mr. [advocaat 1] heeft onderkend, laat staan dat zij heeft geadviseerd om mr. [advocaat 1] voor haar beroepsfout aansprakelijk te stellen. Integendeel: het standpunt van [geïntimeerde] in dit geding met betrekking tot dat optreden van mr. [advocaat 1] luidt nu juist dat mr. [advocaat 1] niets te verwijten valt; dat standpunt heeft zij bij het pleidooi in hoger beroep herhaald. Het verzuim van [geïntimeerde] de veronderstelde beroepsfout van mr. [advocaat 1] te onderkennen en het nalaten [appellant] te adviseren mr. [advocaat 1] daarvoor aansprakelijk te stellen, moet dan als een beroepsfout van [geïntimeerde] worden gekwalificeerd. Een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat had haar cliënt anders moeten informeren en adviseren.
de schadedie hij mogelijk leed. [appellant] heeft dit ook niet althans onvoldoende gemotiveerd betwist. Duidelijk was immers, ook in zijn visie, dat als gevolg van de inhoud van dat vonnis het vorderen van de door hem geleden schade over de periode na de door de rechtbank aangenomen eigendomsovergang van [handelsnaam] te [plaats 2] per 28 oktober 1997 en van [handelsnaam] [plaats 3] per 1 januari 2002 zeer onzeker en problematisch was. Dat de uitkomst van de schadestaatprocedure nog niet onherroepelijk vast stond (er werd immers hoger beroep ingesteld), doet hier niet aan af.
nog niet zonder meerdat [appellant] louter door kennisneming van de inhoud van het vonnis van 2 november 2005 ook bekend was met de voor die schade
aansprakelijke persoon, in die zin dat hij door dat vonnis heeft kunnen weten/begrijpen dat voor het door hem geleden nadeel een persoon aansprakelijk was, omdat die jegens hem een fout zou hebben begaan bij de uitvoering van de gegeven opdracht tot verlening van rechtsbijstand. Hierbij is van belang, dat de rechtbank in het vonnis van 2 november 2005 de beperking van de periode waarover schade wordt toegewezen uitsluitend koppelt aan de eigendomsovergangen die op grond van de inschrijvingen in het handelsregister hadden plaats gevonden met betrekking tot de onderneming te [plaats 2] (per 28 oktober 1997), de onderneming te [plaats 3] (per 1 januari 2002) en de onderneming te [plaats 1] (per 31 mei 2002). In datzelfde vonnis wordt onder het kopje “De Feiten” vastgesteld dat [vader] sr. begin 1994 drie winkels voor de verkoop van fotografische artikelen bezat, te weten in [plaats 1] , [plaats 2] en [plaats 3] (r.o. 1.1.) en dat blijkens opgave van het handelsregister de winkel in [plaats 2] sinds 28 oktober 1997 werd gedreven voor rekening van [betrokkene 1] en de winkel in [plaats 3] sinds 1 januari 2002 voor rekening van [appellant] , terwijl de winkel in [plaats 1] per 31 mei 2002 op naam stond van [BV] B.V. Uit de stukken in de onderhavige procedure (zie producties 10, 11 en 12 van [geïntimeerde] ) blijkt dat inschrijving van die eigendomsovergangen daadwerkelijk heeft plaats gevonden. Ook is van belang dat zowel de (vermeende) eigendomsovergangen als de inschrijvingen daarvan in het handelsregister alle hebben plaats gevonden na het aanhangig maken door mr. [advocaat 1] namens [vader] sr. van de bodemprocedure bij dagvaarding van 24 oktober 1997.
uitsluitenddat vonnis geen aanleiding voor [appellant] was om te weten of te begrijpen dat mr. [advocaat 1] een beroepsfout had gemaakt door alleen op naam van [vader] sr. de bodemprocedure te voeren en dat [geïntimeerde] vervolgens een beroepsfout had gemaakt door die beroepsfout van mr. [advocaat 1] niet te onderkennen en door niet te adviseren haar aansprakelijk te stellen. Uit die door de rechtbank vastgestelde feitenconstellatie mocht/kon [appellant] begrijpen dat het uitbrengen van de dagvaarding namens alleen [vader] sr. nu juist in overeenstemming was met de door de rechtbank vastgestelde juridische werkelijkheid ten aanzien van het bezit van de ondernemingen ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding in de bodemprocedure tegen [onderneming] .
nietalle drie de in het geding zijnde winkels bezat, maar dat de winkel in [plaats 2] werd gedreven door een V.O.F. (met als vennoten zijn zonen [betrokkene 1] en [appellant] ) en de winkel in [plaats 3] een eenmanszaak van [appellant] betrof, zodat mr. [advocaat 1] (ook al omdat de koopovereenkomsten voor wat betreft de winkels in [plaats 2] en [plaats 3] ook op naam van die V.O.F. en [appellant] waren aangegaan) de dagvaarding in de bodemprocedure mede namens hen had moeten uitbrengen. Gelet hierop is van belang vast te stellen wanneer [appellant] ermee bekend was dat [geïntimeerde] vanwege deze beroepsfout aansprakelijk was voor zijn schade.
- [appellant] is zelf degene geweest die de koopovereenkomsten met [onderneming] voor wat betreft de winkels in [plaats 2] en [plaats 3] (mede) heeft ondertekend. Bij het sluiten van die koopovereenkomsten droeg hij daarom in ieder geval kennis van de partijen op wiens naam de koopovereenkomsten werden gesloten.
- Op 6 januari 2004 heeft er een bespreking plaats gevonden waarbij in elk geval [advocaat 1] , [advocaat 2] (van [geïntimeerde] ), [borg] en [appellant] aanwezig waren. Naar aanleiding van deze bijeenkomst is door accountantskantoor [accountantskantoor] een memo opgesteld, gedateerd 8 januari 2004 (productie 16 memorie van grieven). Onder het kopje actiepunten bij 1.A. in dat memo is vermeld:
- In de brief van [appellant] aan mr. [advocaat 2] van 15 januari 2004 (productie 17 memorie van grieven ) geeft hij de historie weer van de diverse winkels. Zo vermeldt [appellant] dat hij in 1986 samen met zijn broer een vestiging in [plaats 2] opende, dat de rechtsvorm een V.O.F. was en dat hij in december 1994 de eenmanszaak in [plaats 3] opende. Beide vestigingen, zo schrijft hij, werden ingeschreven bij de kamer van koophandel als nevenvestigingen van de vestiging in [plaats 1] . [appellant] schrijft aan het eind van deze brief:
- In de door [vader] sr. ondertekende verklaring, gedateerd 17 mei 2000 (maar volgens [appellant] pas in 2003 opgesteld, overgelegd als productie 15 bij memorie van grieven), verklaart [vader] sr. dat hij, voor zover nodig, de vorderingsrechten jegens [onderneming] , voor zover deze inmiddels aan derden zijn overgedragen, mede namens deze derden aan de heer [appellant] overdraagt. Onder verwijzing naar deze verklaring en het arrest in de hoofdzaak van 15 november 2002, stelt mr. [advocaat 2] in de brief van 8 april 2004 (productie 18 memorie van grieven) onder meer:
) bedoelde derden geen directe rechten aan de executoriale titel (hof: het toewijzend arrest
) kunnen ontlenen. Dit zou anders kunnen zijn indien zij zelfstandig rechtsvorderingen tegen [onderneming] hadden ingesteld (…)”;
.) niet in alle gevallen materiële partij was (…)”;
) van de V.O.F. door de heer [appellant] aan de heer [betrokkene 1] op 26 oktober 1997 aan laatstgenoemde is overgedragen. Vast staat wel dat de heer [appellant] ten aanzien van één en mogelijk twee van de vorderingen ter zake ondeugdelijk geleverde machines rechthebbende tot de vordering was (…)”;
) als koper voor de vestiging [plaats 2] opgetreden, de heer [achternaam appellant / vader] als koper voor de vestiging [plaats 3] en de heer [vader] voor de vestiging [plaats 1] . De koopovereenkomsten zijn resp. op 29 april 1994 ( [plaats 2] ), 24 november 1994 ( [plaats 3] ) en 30 mei 1995 ( [plaats 1] ) gesloten;
bijkomendeomstandigheden te betreffen, in de zin van andere (aanvullende) omstandigheden dan de omstandigheden die de grondslag vormen voor de verwijten waarop in de desbetreffende zaak de aansprakelijkstelling van de schuldenaar door de schuldeiser is gebaseerd. De bijzondere omstandigheden moeten bovendien aan de schuldenaar zijn toe te rekenen. De stelplicht en bewijslast ten aanzien van het bestaan van bijzondere omstandigheden in de hiervoor bedoelde zin berusten in beginsel bij degene die zich op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid beroept, in dit geval dus bij [appellant] .
dezelfdeomstandigheden ten grondslag legt als de omstandigheden die de basis vormen voor (delen van) de door hem aan [geïntimeerde] verweten beroepsfouten, zoals deze hiervoor zijn weergegeven in r.o. 6.8.2 en in het navolgende zullen worden beoordeeld. Hij voert daarbij niet tevens bijkomende omstandigheden aan, in de hiervoor uiteengezette zin. Al om deze reden gaat naar het oordeel van het hof het beroep van [appellant] op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid niet op. In het geval immers voor een beroep door een benadeelde op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid ter bestrijding van een op zichzelf terecht beroep van diens wederpartij op verjaring toereikend zou zijn het aanvoeren van dezelfde omstandigheden als die waarop de aansprakelijkheid van die wederpartij is gebaseerd, dan zou ieder beroep op verjaring op voorhand en per definitie illusoir zijn. De benadeelde, in dit geval: [appellant] , zou dan immers steeds, onder aanvoering van dezelfde omstandigheden als waarop de aansprakelijkheid is gebaseerd, met succes de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid in stelling kunnen brengen tegen het op zichzelf terechte beroep op verjaring van zijn wederpartij, in dit geval: [geïntimeerde] . Naar het oordeel van het hof komt dat in strijd met het hiervoor uiteengezette uitzonderlijke, ultimum remedium-karakter van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid.
dezeberoepsfout, worden toegewezen.
nietis komen vast te staan. Het hof overweegt daartoe het volgende.