Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
5 Het verloop van de procedure
- voormeld tussenarrest;
- de akte na tussenarrest van Prepensioenfonds;
- de antwoordakte van [appellante] ;
6.Nogmaals de vaststaande feiten en korte weergave van het geschil
Art. 1 van Pro het Protocol houdt onder meer in dat de kosten van de vroegpensioenregeling en de overgangsmaatregelen worden gefinancierd door middel van een bedrijfstakheffing, te betalen door de werkgevers over de loonsom van alle werknemers van 16 tot 65 jaar die werkzaam zijn in de bedrijfstak.
Ingevolge art. 1.3 beogen de vroegpensioen overgangsmaatregelen een aanvulling (backservice) te geven op het vroegpensioen voor die groep van deelnemers die door hun leeftijd op het moment van invoering van de regeling niet in staat zullen zijn een volledig vroegpensioen op te bouwen. De vroegpensioen overgangsmaatregelen gelden voor alle werknemers in het beroepsgoederenvervoer die op 31 maart 2001 en 1 april 2001 in dienst zijn van een bij de VUT-regeling aangesloten werkgever en per 1 januari 2002 gaan deelnemen aan de vroegpensioenregeling.
v) Met ingang van 20 februari 2003 is deelneming in Prepensioenfonds wettelijk verplicht gesteld overeenkomstig het bepaalde in art. 2 lid 1 van Pro de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (hierna: Wet Bpf 2000).
x) In juni 2005 zijn namens Prepensioenfonds nota’s gezonden aan [appellante] tot betaling van de hiervoor onder (viii) genoemde bedragen van € 45.604,92 over 2002 en € 9.493,99 over 2003. [appellante] heeft deze nota’s niet voldaan.
7.De verdere beoordeling na verwijzing en tussenarrest.
Een uitleg in laatstbedoelde zin zou voor de contracterende werkgevers, en dus ook voor [appellante] , die bij de contractsluiting door TLN werd vertegenwoordigd, kunnen leiden tot een onaanvaardbare last. In cassatie kon niet ervan worden uitgegaan dat zij die hebben onderkend en aanvaard. Na verwijzing zal met name moeten worden vastgesteld voor welke werknemers de gevorderde premie is bestemd, aldus de Hoge Raad.
a) gold ook voor de werknemers die met ingang van 20 februari 2003 (op grond van de algemeen verbindend verklaring) deelnamen aan de prepensioenfondsregeling vanaf 20 februari 2003 een recht op aanvulling van het vroegpensioen, als bedoeld in art. 1.3 van het Protocol?
- art. 3 lid 1 onder Pro b van Pensioenreglement V inzake de overgangsregeling voor deelnemers geboren op of na 1 januari 1950, geldend vanaf 1 januari 2006, waarin deze eis ook terugkomt:
“de deelnemer moet vanaf 1 januari 2002 tot en met 31 december 2005 onafgebroken deelnemer zijn geweest in de prepensioenregeling van het fonds voor Beroepsgoederenvervoer (…)”;