In deze zaak staat de uitleg van het Protocol Onderhandelingsaccoord centraal, waarin afspraken zijn gemaakt over de invoering van een prepensioenregeling per 1 januari 2002 ter vervanging van de VUT-regeling. De vraag is of de werkgever, aangesloten bij TLN, vanaf die datum premieplichtig was, of pas vanaf de ministeriële verplichtstelling op 20 februari 2003.
De werkgever weigerde betaling van premies over 2002 en 2003, waarop het Prepensioenfonds een vordering instelde. Het hof Arnhem oordeelde dat de werkgever pas vanaf de verplichtstelling premieplichtig was, mede op grond van de uitleg dat de bedrijfstakheffing pas vanaf die datum geldt. De Hoge Raad stelt dat het hof een te beperkte uitleg gaf aan het begrip bedrijfstakheffing en dat het Protocol wel degelijk een premieplicht vanaf 1 januari 2002 kan inhouden.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat het hof onterecht niet heeft geoordeeld over de stelling van de werkgever dat er een vaststellingsovereenkomst bestaat die restitutie van premies regelt. De zaak wordt vernietigd en verwezen naar het hof ’s-Hertogenbosch voor nadere beoordeling, met name over de vraag voor welke werknemers de premie is bestemd en de mogelijke vaststellingsovereenkomst.
De Hoge Raad veroordeelt beide partijen in de kosten van het cassatieproces en benadrukt dat de uitleg van het Protocol en de statuten in samenhang met redelijkheid en billijkheid nader onderzocht moeten worden.