Uitspraak
1.[appellante] ,
[appellant],
beiden wonende te [woonplaats] ,
[facilitair] FACILITAIR B.V.en
[zorg] ZORG B.V.,
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze zaak vorderde de curator de aansprakelijkheid van zowel de rechtspersoon-bestuurders als de indirecte bestuurders van twee gefailleerde vennootschappen, Facilitair B.V. en Zorg B.V., voor de faillissementstekorten. De rechtbank oordeelde dat zowel de rechtspersoon-bestuurders als de indirecte bestuurders hoofdelijk aansprakelijk waren en veroordeelde hen tot betaling van voorschotten en proceskosten. Alleen de indirecte bestuurders gingen in hoger beroep.
Het hof overwoog dat op grond van artikel 2:11 BW Pro de aansprakelijkheid van de rechtspersoon-bestuurders ook hoofdelijk rust op de indirecte bestuurders, tenzij deze kunnen aantonen dat hen persoonlijk geen ernstig verwijt treft. De indirecte bestuurders stelden dat zij op goed vertrouwen handelden en verwezen naar managementovereenkomsten en verklaringen ter onderbouwing, maar het hof vond deze onvoldoende en twijfelde aan de echtheid van de overeenkomsten.
De rechtbank had vastgesteld dat er onzorgvuldigheden waren zoals het ontbreken van gepubliceerde jaarrekeningen, onduidelijke administratie en onrechtmatige overboekingen vlak voor faillissement. Het hof onderschreef deze bevindingen en concludeerde dat de indirecte bestuurders onvoldoende hadden gesteld om hun persoonlijke verwijtbaarheid te ontkennen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en houdt de indirecte bestuurders hoofdelijk aansprakelijk voor de faillissementstekorten.