Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 5630150 / 17-127)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met vijf producties;
- de memorie van antwoord met zes producties.
3.De beoordeling
- Bij huurovereenkomst van 24 september 2013 heeft [geïntimeerde] aan [appellante] de woning aan de [adres] te [plaats] verhuurd voor een huurprijs van (op dat moment) € 665,-- per maand.
- Op de huurovereenkomst zijn algemene huurvoorwaarden van toepassing. In artikel 11.2 van de algemene huurvoorwaarden staat onder meer dat de huurder bij opzegging van de huurovereenkomst een opzegtermijn van een maand in acht moet nemen.
- Bij e-mail van 27 april 2016 heeft [geïntimeerde] aan [appellante] onder meer het volgende meegedeeld:
- [appellante] heeft met ingang van mei 2016 de huurbetalingen gestaakt.
- In verband met de huurachterstand heeft [appellante] per e-mail van 2 juni 2016 aan de advocaat van [geïntimeerde] onder meer meegedeeld dat zij een uitkering heeft aangevraagd, dat die uitkering met terugwerkende kracht uitbetaald wordt, dat zij het verschuldigde bedrag over zal maken aan [geïntimeerde] , dat zij de 20ste haar belasting krijgt en dat ze die alvast naar [geïntimeerde] zal overmaken.
- Bij e-mail van 25 juli 2016 heeft [appellante] aan [geïntimeerde] het volgende meegedeeld:
- Bij (per e-mail verzonden) brief van 15 augustus 2016 heeft de advocaat van [geïntimeerde] aan [appellante] onder meer meegedeeld dat indien zij de huur opzegt, rekening gehouden moet worden met één maand opzegtermijn, dat de woning niet in goede staat is opgeleverd en dat er over de maanden mei tot en met augustus 2016 een huurachterstand is van € 2.865,34 (over de maanden mei en juni telkens € 708,89 en over de maanden juli en augustus telkens € 723,78).
- [appellante] heeft bij aan de advocaat van [geïntimeerde] gerichte e-mail van 15 augustus 2016 gereageerd en in die e-mail onder meer gesteld dat tijdens de huur sprake was van een aantal gebreken aan het gehuurde die [geïntimeerde] niet heeft willen herstellen.
- een verklaring voor recht dat [geïntimeerde] toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van de verplichting om [appellante] het volledige huurgenot te verschaffen in de periode van 15 februari 2016 tot 1 augustus 2016;
- een verklaring voor recht dat [geïntimeerde] gehouden is de vermogensschade daarvan te vergoeden door het betalen van de helft van de door [appellante] betaalde huur (in totaal € 2.137,84) dan wel met een percentage dat in overeenstemming is met de gebreken aan het gehuurde, alsook de borg en verhuis- en inrichtingskosten (in totaal € 3.302,84) te vermeerderen met wettelijke rente, met veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van de betreffende bedragen en rente;
- een verklaring voor recht dat [appellante] gerechtigd was tot inhouding c.q. opschorting van de betaling van de huur;
- een verklaring voor recht dat de verschuldigde huur c.q. het bedrag dat [appellante] in conventie aan [geïntimeerde] verschuldigd is, voldaan is door verrekening van dat bedrag met de vordering in reconventie;
- De mededeling van [appellante] bij e-mail van 25 juli 2016 tezamen met het inleveren van de sleutels is aan te merken als een opzegging van de huurovereenkomst. Aangezien op grond van de algemene voorwaarden een opzegtermijn van één maand geldt, is de huurovereenkomst per 1 september 2016 geëindigd (rov. 9).
- Het verweer van [appellante] dat zij de nakoming van haar huurbetalingsverplichtingen mocht opschorten, treft geen doel (rov. 11.2).
- Aan huur over de maanden mei tot en met augustus 2016 is, rekening houdend met het op 20 juni 2016 door [appellante] betaalde bedrag van € 500,--, € 3.812,90 toewijsbaar (hof: dit bedrag berust kennelijk op enkele fouten, zie hierna in rov. 3.6.1 tot en met 3.6.4 van dit arrest), vermeerderd met de wettelijke rente over de onbetaald gelaten termijnen vanaf de vervaldata van die termijnen (rov. 11.4).
- Ter zake buitengerechtelijke incassokosten is € 196,94 toewijsbaar (rov. 14).
- De vorderingen in reconventie ter zake verminderd huurgenot zijn niet toewijsbaar. De in reconventie gevorderde verhuis- en inrichtingskosten zijn evenmin toewijsbaar. De vordering in reconventie moet worden afgewezen (rov. 15).
- [appellante] veroordeeld om aan [geïntimeerde] € 3.812,90 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vervaldata;
- [appellante] veroordeeld om aan [geïntimeerde] € 196,94 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 19 december 2016;
- A. een vordering op [geïntimeerde] heeft ter zake een vermindering van de huurprijs op de voet van artikel 7:207 lid 1 BW Pro vanwege de gebreken die aan het gehuurde kleefden;
- B. een vordering op [geïntimeerde] heeft ter zake verhuis- en inrichtingskosten.
- a. [appellante] had op de voet van de artikelen 7:257 lid 2 in verband met 7:241 BW de huurcommissie kunnen verzoeken een uitspraak te doen over de vermindering van de huurprijs wegens de aanwezige gebreken;
- b. [appellante] had op de voet van de artikelen 7:257 lid 1 in verband met artikel 7:207 BW Pro bij de rechter een vermindering van de huurprijs kunnen vorderen (eventueel bij wege van verweer).
- de vordering om [appellante] te veroordelen tot betaling van € 6.618,03 te betalen ter zake opruim- en herstelwerkzaamheden;
- de vordering om [appellante] te veroordelen tot betaling van € 39,-- ter zake ontbrekende sleutels/tags.