Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
4.Gronden
5.Beslissing
- verklaart het hoger beroep ongegrond, en
- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Belanghebbende, een ondernemer in onroerend goed verhuur, vormde in 2008 een herinvesteringsreserve (HIR) van €1.434.706 uit de verkoop van onroerende zaken. Volgens de Wet IB 2001 dient deze reserve uiterlijk in het derde jaar na het jaar van ontstaan in de winst te worden opgenomen, tenzij bijzondere omstandigheden de aanschaffing van vervangende bedrijfsmiddelen vertragen.
Belanghebbende stelde dat de termijn verlengd moest worden vanwege vertraging bij de aanschaf van vervangende onroerende zaken, onder meer doordat andere panden gekraakt waren en niet verkocht konden worden. Het hof oordeelde echter dat deze omstandigheden geen bijzondere omstandigheden vormen die de wettelijke termijn verlenging rechtvaardigen. De stelling dat de verkoopopbrengst van alle panden samen gebruikt zou worden voor vervanging is een eigen ondernemingskeuze.
Het hof bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank dat de HIR in 2011 vrijvalt en dat de aanslag terecht is opgelegd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank bevestigd, en er werd geen vergoeding van griffierecht of proceskosten aan belanghebbende toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.