Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant 1] ,2. [appellante 2] ,beiden wonende te [woonplaats] ,
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 5458747, rolnummer 16-11639)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de door [appellant 1] en [appellante 2] genomen memorie van grieven in principaal hoger beroep met een productie;
- de door SWS genomen memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep, met drie producties (nr. 46 tot en met nr. 48);
- de depotakte, waaruit blijkt dat mr. Van de Laar 28 foto’s heeft gedeponeerd ter griffie van het hof;
- de door [appellant 1] en [appellante 2] genomen akte in principaal hoger beroep, tevens memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep, met drie producties;
- de antwoordakte van SWS;
- de antwoordakte [appellant 1] en [appellante 2] .
3.De beoordeling
- (De rechtsvoorganger van) SWS heeft met ingang van 23 oktober 2002 aan [appellant 1] en [appellante 2] de woning aan het [adres] te [woonplaats] verhuurd.
- SWS heeft [appellant 1] en [appellante 2] begin 2015 in kort geding gedagvaard en veroordeling van hen tot ontruiming van de woning gevorderd. Aan deze vordering heeft SWS ten grondslag gelegd dat [appellant 1] en [appellante 2] structureel ernstige overlast veroorzaken jegens hun omwonenden. Deze kortgedingprocedure heeft geleid tot een vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats [woonplaats] , van 8 mei 2015, waarbij [appellant 1] en [appellante 2] zijn veroordeeld tot ontruiming van de woning.
- Op basis van dat vonnis heeft SWS aan [appellant 1] de ontruiming van de woning aangezegd tegen 19 mei 2015. Op die dag is de woning ontruimd.
- Op 3 juni 2015 hebben [appellant 1] en [appellante 2] hoger beroep ingesteld tegen het kortgedingvonnis van 8 mei 2015.
- SWS heeft de woning met ingang van 6 juli 2015 verhuurd aan nieuwe huurders.
- Het door [appellant 1] en [appellante 2] tegen het kortgedingvonnis van 8 mei 2015 ingestelde hoger beroep heeft geleid tot een arrest van dit hof van 24 november 2015, waarin het hof heeft geoordeeld dat SWS in het kader van het kort geding niet voorshands aannemelijk heeft gemaakt dat [appellant 1] en [appellante 2] aan buren of omwonenden zodanig ernstige overlast hebben bezorgd welke acuut noopte tot ontruiming. Op grond van dat oordeel heeft het hof het kortgedingvonnis van 8 mei 2015 vernietigd en de vorderingen van SWS alsnog afgewezen.
- [appellant 1] en [appellante 2] hebben aanspraak gemaakt op terugkeer in de woning. De advocaat van SWS heeft daarop bij brief van 3 december 2015 aan [appellant 1] en [appellante 2] meegedeeld dat de woning niet meer aan hen ter beschikking gesteld kan worden, omdat de woning aan nieuwe huurders is verhuurd. In de brief staat voorts onder meer het volgende:
- [appellant 1] en [appellante 2] hebben de aangeboden vervangende woonruimte niet geaccepteerd.
- [appellant 1] en [appellante 2] hebben in kort geding veroordeling van SWS gevorderd om de woning aan het [adres] weer in huur en gebruik aan hen af te staan op straffe van verbeurte van een dwangsom. Bij vonnis in kort geding van 13 januari 2016 heeft de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats [woonplaats] , geoordeeld dat voorshands moet worden aangenomen dat SWS de huurovereenkomst op goede gronden buitengerechtelijk heeft ontbonden. Op grond van dat oordeel heeft de kantonrechter de vordering van [appellant 1] en [appellante 2] afgewezen.
- [appellant 1] en [appellante 2] hebben bij een andere woningstichting vanaf 2 maart 2017 een huurwoning in de sociale sector gehuurd.
- A. een verklaring voor recht dat de huurovereenkomst ten onrechte door SWS buitengerechtelijk is ontbonden, althans een verklaring voor recht dat de buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst nietig is;
- B. veroordeling van SWS om aan [appellant 1] en [appellante 2] binnen 8 dagen na betekening van het te wijzen vonnis de woning aan het [adres] te [woonplaats] in huur en gebruik af te staan en de sleutels van de woning aan hen te verschaffen, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
- C. veroordeling van SWS tot betaling van een schadevergoeding van € 46.264,99;
- primair: een verklaring voor recht dat de huurovereenkomst tussen partijen betreffende de woning aan het [adres] te [woonplaats] buitengerechtelijk is ontbonden bij brief van 3 december 2015 van de advocaat van SWS aan [appellant 1] en [appellante 2] ;
- subsidiair: ontbinding van de huurovereenkomst tussen partijen betreffende de woning aan het [adres] te [woonplaats] ;
- Omdat de woning aan nieuwe huurders is verhuurd, is het voor SWS feitelijk onmogelijk om de woning aan [appellant 1] en [appellante 2] ter beschikking te stellen. Daardoor heeft de woning jegens [appellant 1] en [appellante 2] een gebrek in de zin van artikel 7:204 lid 2 BW Pro, terwijl het voor SWS onmogelijk is in de zin van artikel 7:206 lid 1 BW Pro om dat gebrek te verhelpen. SWS was daarom ten tijde van de verzending van de brief van 3 december 2015 bevoegd om de huurovereenkomst op de voet van artikel 7:210 lid 1 BW Pro buitengerechtelijk te ontbinden (ro. 4.3 tot en met 4.9).
- SWS is aansprakelijk voor de schade die [appellant 1] en [appellante 2] hebben geleden door de onrechtmatige ontruiming van de woning en door het feit dat SWS de woning niet meer aan hen ter beschikking kan stellen (rov. 4.11).
- Er bestaat geen aanleiding om de schadevergoedingsplicht te verminderen op grond van eventuele eigen schuld van [appellant 1] en [appellante 2] (rov. 4.12).
- SWS in conventie veroordeeld om aan [appellant 1] en [appellante 2] € 3.852,38 te betalen;
- de proceskosten van het geding in conventie gecompenseerd, in die zin dat elke partij de eigen kosten moet dragen;
- het in conventie meer of anders gevorderde afgewezen;
- in reconventie voor recht verklaard dat de huurovereenkomst tussen partijen betreffende de woning aan het [adres] te [woonplaats] bij brief van 3 december 2015 van de advocaat van SWS aan [appellant 1] en [appellante 2] buitengerechtelijk is ontbonden;
- de proceskosten van het geding in reconventie gecompenseerd, in die zin dat elke partij de eigen kosten moet dragen;
- het in reconventie meer of anders gevorderde afgewezen.
- het alsnog toewijzen van hun vorderingen in conventie zoals in eerste aanleg (naar het hof begrijpt: na vermindering van eis) geformuleerd;
- het alsnog geheel afwijzen van de vorderingen van SWS in reconventie;
- het oordeel van de kantonrechter in het tussenvonnis van 4 mei 2017 dat SWS ten tijde van de verzending van de brief van 3 december 2015 bevoegd was om de huurovereenkomst op de voet van artikel 7:210 lid 1 BW Pro buitengerechtelijk te ontbinden;
- de op grond van dat oordeel in het eindvonnis van 24 augustus 2017 in reconventie gegeven verklaring voor recht dat de huurovereenkomst tussen partijen betreffende de woning aan het [adres] te [woonplaats] bij brief van 3 december 2015 van de advocaat van SWS aan [appellant 1] en [appellante 2] buitengerechtelijk is ontbonden.
- dat de woning jegens [appellant 1] en [appellante 2] een gebrek heeft in de zin van artikel 7:204 lid 2 BW Pro, immers een staat of eigenschap waardoor de woning aan [appellant 1] en [appellante 2] geen huurgenot meer kan verschaffen;
- dat het voor SWS onmogelijk is in de zin van artikel 7:206 lid 1 BW Pro om dat gebrek te verhelpen;
- dat SWS daarom ten tijde van de verzending van de brief van 3 december 2015 bevoegd was om de huurovereenkomst op de voet van artikel 7:210 lid 1 BW Pro buitengerechtelijk te ontbinden.
- de hiervoor in rov. 3.2.1 onder A en B weergegeven vorderingen in conventie zijn afgewezen;
- in reconventie voor recht is verklaard dat de huurovereenkomst tussen partijen betreffende de woning aan het [adres] te [woonplaats] bij brief van 3 december 2015 van de advocaat van SWS aan [appellant 1] en [appellante 2] buitengerechtelijk is ontbonden.
- schadepost 1: € 500,--
- schadepost 2: € 0,-- (afgewezen)
- schadepost 3: € 0,-- (afgewezen)
- schadepost 4: € 260,--
- schadepost 5: € 617,85
- schadepost 6: € 0,-- (afgewezen)
- schadepost 7: € 224,53
- schadepost 8: € 250,--
- schadepost 9: € 2.000,--
- schadepost 10: € 0,-- (afgewezen)
- dat SWS aansprakelijk is voor de schade die [appellant 1] en [appellante 2] hebben geleden door de onrechtmatige ontruiming van de woning en door het feit dat SWS de woning niet meer aan hen ter beschikking kan stellen (rov. 4.11);
- dat er geen aanleiding bestaat om de schadevergoedingsplicht te verminderen op grond van eventuele eigen schuld van [appellant 1] en [appellante 2] (rov. 4.12).
- dat zij de woning snel hebben moeten ontruimen met behulp van vervoermiddelen van vrienden en kennissen;
- dat zij de vrienden en kennissen voor de verhuiswerkzaamheden contant hebben betaald;
- dat zij ook vergoedingen hebben toegekend voor de vervoermiddelen en benzinekosten;
- dat er geen betalingsbewijzen zijn;
- dat zij voor de genoemde werkzaamheden en kosten meer dan € 1.000,-- in contanten hebben voldaan.
- de in het rapport van 14 juni 2016 opgevoerde kosten nader toe te lichten en te onderbouwen met stukken;
- daarbij op concrete wijze aan te geven welke verbeteringen en voorzieningen zij hebben aangebracht, wanneer dit is gebeurd en wanneer daarvoor door SWS toestemming is verleend;
- de aangebrachte wijzigingen waar mogelijk nader te onderbouwen met bijvoorbeeld foto’s en/of nota’s dan wel betalingsbewijzen.
- een bewijs van een overboeking van 14 januari 2015 van € 400,-- naar [advocaten] Advocaten ter zake ‘declaratienummer [declaratienummer] dossier [dossier] [appellant 1] /woonbedrijf’;
- een bewijs van overboeking van 4 februari 2015 van € 286,83 naar [advocaten] Advocaten ter zake ‘declaratienummer [declaratienummer] (…) [appellant 1] /woonbedrijf’;
- een factuur met nummer [factuur 1] van 6 februari 2015 van € 244,20 ter zake dossier [dossier] inzake ‘ [appellant 1] / Woonbedrijf’;
- een factuur met nummer [factuur 2] van 30 april 2015 van € 228,94 ter zake dossier [dossier] inzake ‘ [appellant 1] / Woonbedrijf’.
- een factuur van 27 mei 2015 ten bedrage van € 294,94 inclusief btw met als omschrijving: ‘Administratieve dienstverlening april 2015: Financieel jaarwerk’;
- een factuur van 22 februari 2016 ten bedrage van € 235,95 inclusief btw met als omschrijving: ‘Administratieve dienstverlening januari 2016: Financieel jaarwerk’.
- [appellant 1] en [appellante 2] hebben niet onderbouwd dat hun nieuwe huurwoning vergelijkbaar is aan de woning aan het [adres] . Zij hebben dus niet aannemelijk gemaakt dat zij in de woning aan het [adres] hetzelfde huurgenot hadden als in hun nieuwe huurwoning.
- [appellant 1] en [appellante 2] hebben geen inzicht gegeven in de huurtoeslag die zij ontvangen. Daarom kan niet worden aangenomen dat zij aan huur daadwerkelijk € 50,-- per maand meer kwijt zijn dan voorheen.
- schadepost 1: € 500,--
- schadepost 2: € 4.000,--
- schadepost 3: € 0,--
- schadepost 4: tenminste € 260,-- en mogelijk een hoger bedrag tot maximaal € 1.300,--
- schadepost 5: € 1.800,--
- schadepost 6: € 0,--
- schadepost 7: € 224,53
- schadepost 8: € 500,--
- schadepost 9: € 3.000,--
- schadepost 10: € 0,--