Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
4.Gronden
5.Beslissing
- verklaarthet hoger beroep ongegrond, en
- bevestigtde uitspraak van de Rechtbank.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Deze zaak betreft het hoger beroep van belanghebbende tegen navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en beschikkingen heffingsrente over de jaren 2004 tot en met 2006, opgelegd aan de erven van zijn moeder. Het geschil draait om de vraag of de verlengde navorderingstermijn van artikel 16 lid 4 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) van toepassing is op Nederlandse bankrekeningen die deel uitmaken van het vermogen van een in Liechtenstein gevestigde rechtspersoon, [E].
De rechtbank had de navorderingsaanslagen en heffingsrente gehandhaafd, en het hof bevestigt dit oordeel. Het hof overweegt dat het belang van moeder in [E], ondanks dat het vermogen deels bestaat uit Nederlandse bankrekeningen, moet worden aangemerkt als een in het buitenland aangehouden vermogensbestanddeel. Dit volgt uit het feit dat [E] een zelfstandige entiteit is, statutair gevestigd in Liechtenstein en niet belastingplichtig in Nederland.
Het hof wijst erop dat de verlengde navorderingstermijn is ingesteld vanwege de beperkte controlemogelijkheden van de Nederlandse fiscus bij buitenlandse vermogensbestanddelen. Het feit dat de bankrekeningen in Nederland zijn aangehouden, doet hieraan niet af. De stelling van belanghebbende dat een verdrag met Liechtenstein bestond voor informatie-uitwisseling wordt verworpen omdat een dergelijk verdrag niet bestaat. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de navorderingsaanslagen en heffingsrente worden bevestigd.