Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/312278 / HA ZA 16-145)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven;
- de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met producties/eiswijziging;
- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep.
3.De beoordeling
Artikel 2. Huisvesting vrouw.
Artikel 1
vrouwheeft de man in rechte betrokken en in conventie, samengevat, gevorderd:
na wijziging van eis
manheeft de vorderingen in conventie weersproken. Op de stellingen van de man wordt, voor zover in hoger beroep van belang, hierna nader ingegaan. De man heeft tevens een vordering in reconventie ingesteld. Hij vordert, samengevat:
rechtbank, samengevat, in conventie de vordering voor wat betreft het pensioen toegewezen. De overige vorderingen zijn afgewezen. In reconventie heeft de rechtbank de vrouw, op verbeurte van een dwangsom, veroordeeld om binnen 60 dagen na betekening van het vonnis haar aandeel in de eigendom van de woning aan de man te leveren voor een koopprijs van € 287.000,-- en om gelijktijdig aan de man te voldoen € 152.500,-- door verrekening met de koopprijs. Het meer of anders gevorderde in reconventie is afgewezen. De rechtbank heeft de proceskosten gecompenseerd.
vrouwheeft tijdig hoger beroep ingesteld. Zij heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis (het hof begrijpt: voor zover haar vorderingen daarbij zijn afgewezen) en, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, tot het alsnog toewijzen van de vorderingen in conventie en afwijzen van de vorderingen in reconventie.
- de vernietiging van de overeenkomsten van 26 september 2002 en maart 2009 (grief I);
- de gebruiksvergoeding (grief II);
- de schadevergoeding vanwege een onrechtmatige daad (grief III);
manheeft de grieven weersproken. Hij heeft in principaal appel geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis voor zover daartegen door hem geen grieven zijn gericht.
opnieuw rechtdoende, tot veroordeling van de vrouw:
rechtbankheeft het beroep op vernietiging wegens dwaling en bedrog afgewezen omdat de verjaringstermijn daarvoor was verstreken. Zij overwoog hiertoe in rov. 3.5.:
vrouwstelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat uiterlijk drie jaar na het tekenen van de overeenkomsten van maart 2009 de termijn tot vernietiging op grond van dwaling is geëindigd en dat het beroep op verjaring door de man slaagt. Ter onderbouwing van haar grief voert zij het volgende aan.
manstelt dat de grief van de vrouw niet is onderbouwd. Waar verjaring al geldt voor het beroep op dwaling ter zake de overeenkomsten uit 2009, geldt dit a fortiori voor het beroep op dwaling ter zake de overeenkomst van 26 september 2002.
hofoverweegt als volgt.
vrouwstelt ter onderbouwing van de grief het volgende.
manheeft de grief weersproken. Hij heeft hiertoe het volgende aangevoerd.
rechtbankheeft geoordeeld dat op grond van de overeenkomsten de vrouw € 28.000,-- “overhoudt”, terwijl de man (tegen betaling van € 134.500,--) een pand bezit dat hij voor ten minste € 353.000,-- te gelde kan maken. De rechtbank acht dit evenwel niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Zij overwoog daartoe:
hofoverweegt als volgt.
rechtbankheeft de vordering wegens onrechtmatige daad (de nog meer subsidiair ingestelde vordering) afgewezen omdat noch onrechtmatig handelen van de man noch een door zijn toedoen ontstane schade is komen vast te staan omdat de vrouw niet aan haar stelplicht heeft voldaan.
vrouwstelt dat de man onrechtmatig heeft gehandeld; hij heeft louter oog gehad voor zijn eigen belang. De wijze waarop de man heeft gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid welke in het maatschappelijk verkeer betaamt en dat is hem toe te rekenen. De man had de belangen van de vrouw zodanig moeten behartigen dat het eindresultaat een evenwichtige verdeling zou zijn geweest. Daarvan is, ook volgens de rechtbank, geen sprake. De vrouw vordert de man te veroordelen tot vergoeding van de schade, op te maken bij staat. Voor toewijzing daarvan is niet vereist dat de schade vast staat.
manconcludeert dat van onrechtmatig handelen noch van benadeling van de vrouw sprake is.
hofoverweegt dat voor toewijzing van een vordering tot schadevergoeding (al dan niet nader op te maken bij staat) krachtens art: 6:162 BW aan een vijftal vereisten moet zijn voldaan te weten: onrechtmatige daad, toerekenbaarheid van de daad aan de dader, schade, causaal verband tussen daad en schade en relativiteit.
rechtbankheeft de vordering van de man tot doorbetaling van de rentetermijnen afgewezen. De rechtbank heeft aan dat oordeel in rov. 3.27 ten grondslag gelegd dat “de elementen alimentatie en rente in de visie van beide partijen onlosmakelijk met elkaar verbonden waren en de man per 31 mei 2015 is gestopt met de betaling van alimentatie en in zoverre zelf de overeenkomst niet meer is nagekomen.”
manbetoogt met zijn grief dat de rechtbank zijn vordering tot doorbetaling van de rentetermijnen ten onrechte heeft afgewezen. Voor de man bestond na het inroepen van de koopoptie geen grond meer voor betaling van alimentatie.
vrouwstelt dat de grief ongegrond is. De betaling van de alimentatie was onlosmakelijk verbonden met de betaling van rente door de vrouw aan de man en aan de bank. De gehele constructie is fiscaal gedreven en heeft niet tot doel gehad te komen tot verdeling van de woning.
hofstelt vast dat niet in geschil is dat de vrouw op grond van de overeenkomst van geldlening van maart 2009 maandelijks € 1.181,25 aan rente aan de man moest vergoeden. Voorts is niet in geschil dat zij vanaf 1 juli 2015 niet meer aan deze verplichting heeft voldaan. Ten slotte staat vast de man vanaf 31 mei 2015 het voortgezet gebruik van de woning door de vrouw niet meer bekostigde.