Belanghebbende erfde landbouwgrond en aandelen in een BV na het overlijden van zijn oom. Hij deed een beroep op de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) van de Successiewet 1956 om erfbelasting te verminderen. Het Hof oordeelde dat niet voldaan is aan de bezitseis van één jaar zoals vereist in artikel 35d lid 1 van de Successiewet, omdat de BV pas op 31 december 2012 werd opgericht en er geen bewijs was van een materiële onderneming die geruisloos in de BV was ingebracht.
Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagde niet omdat erflater bewust voor een BV koos en niet voor een andere rechtsvorm. Ook de landbouwgrond en liquiditeiten voldeden niet aan de bezitseis, omdat de grond feitelijk en juridisch nog ter beschikking stond van een pachter tot na de bezitseisperiode. Belanghebbende mocht de waarde van toeslagrechten niet in mindering brengen op de waarde van de aandelen.
Wel werd belanghebbende in het gelijk gesteld over de belastingrente, die door de Inspecteur te hoog was vastgesteld. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar werden vernietigd voor zover het de belastingrente betrof. Verder werd het griffierecht en een forfaitaire proceskostenvergoeding toegekend aan belanghebbende.