ECLI:NL:GHSHE:2018:2803

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
3 juli 2018
Publicatiedatum
3 juli 2018
Zaaknummer
200.228.612_01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 222 RvArt. 353 Rv
Verwijzingen
7 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing van verzoek tot voeging van civiele procedures wegens verknochtheid

In deze civiele procedure heeft de Rabobank een incident tot voeging ingediend van twee aanhangige zaken bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, omdat beide procedures deels betrekking hebben op hetzelfde feitencomplex en hetzelfde vonnis. Appellanten hebben geen bezwaar gemaakt tegen deze voeging.

Het hof oordeelt dat sprake is van verknochtheid en wijst de vordering tot voeging toe. Daarbij benadrukt het hof dat ondanks de formele voeging de vorderingen hun zelfstandigheid behouden en partijen niet automatisch toegang krijgen tot elkaars processtukken.

De proceskosten van het incident worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De hoofdzaak wordt verwezen naar de rol voor beraad en verdere beslissingen worden aangehouden. Dit arrest is gewezen door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2018.

Uitkomst: Het hof wijst de vordering tot voeging toe en compenseert de proceskosten, terwijl de hoofdzaak wordt verwezen voor beraad.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht
zaaknummer 200.228.612/01
arrest van 3 juli 2018
gewezen in het incident tot voeging ex artikel 222 Rv Pro
in de zaak van

1.[appellant 1] ,wonende te [woonplaats] ,

2.
[appellant 2] ,wonende te [woonplaats] ,
3.
[holding] Holding B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
4.
[de vennootschap 1] B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
5.
[de vennootschap 2] B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
6.
Holding [de holding 1] B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
7.
Holding [de holding 2] B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
8.
[de vennootschap 3] B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
9.
[de vennootschap 4] B.V.gevestigd te [vestigingsplaats] ,
10.
[de vennootschap 5] B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
11.
[onroerend goed 1] Onroerend Goed B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
12.
[de vennootschap 6] B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
13.
[onroerend goed 2] onroerend Goed B.V.gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellanten in de hoofdzaak,
verweerders in het incident,
advocaat: mr. W.M.J. Saes te Roermond,
tegen
De coöperatie Coöperatieve Rabobank U.A.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven te 's-Hertogenbosch,
op het bij exploot van dagvaarding van 31 oktober 2017 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 2 augustus 2017, gewezen tussen appellanten – [appellanten c.s.] – als eisers in conventie, verweerders in reconventie en onder meer geïntimeerde – de Rabobank – als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie.

1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/04/123213/HA ZA 13-164)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het daaraan voorafgaande vonnis in het incident van 15 januari 2014.

2.Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep;
  • de memorie van grieven met eiswijziging en producties;
  • de memorie van antwoord, tevens incidentele memorie tot voeging met producties;
  • de memorie van antwoord in het incident houdende een verzoek tot voeging.
Het hof heeft daarna een datum bepaald voor arrest in het incident.

3.De beoordeling

In het incident
3.1.
De vordering van de Rabobank strekt tot voeging van de onderhavige procedure met de bij dit hof onder zaaknummer 200.231.860/01 aanhangige procedure tussen [appellanten c.s.] als appellanten en de Staat als geïntimeerde. Ter onderbouwing van haar vordering stelt de Rabobank kort gezegd dat beide geschillen (deels) over hetzelfde feitencomplex gaan en beroept zij zich op artikel 353 jo Pro artikel 222 Rv Pro.
3.2.
[appellanten c.s.] hebben geen bezwaar tegen de gevorderde zaakvoeging wegens verknochtheid.
3.3.
Omdat beide procedures betrekking hebben op hetzelfde vonnis en (deels) hetzelfde feitencomplex is naar het oordeel van het hof sprake van verknochtheid. Nu verder [appellanten c.s.] geen bezwaar hebben tegen de gevorderde voeging, zal de incidentele vordering tot voeging worden toegewezen.
Wellicht ten overvloede overweegt het hof dat de vorderingen, ondanks de formele voeging, hun zelfstandigheid behouden (HR 21 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2500) en wordt de partij in de ene zaak niet automatisch partij in de andere zaak (HR 21 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2904). Dat betekent dat partijen door vermelding van de zaaknummers steeds duidelijk moeten maken op welke procedure hun memories en/of akten betrekking hebben. Ook betekent dat, anders dan Rabobank kennelijk veronderstelt, partijen in de ene gevoegde zaak niet automatisch de beschikking krijgen over de processtukken van de andere gevoegde zaak.
3.4.
Omdat geen van partijen als de in het ongelijk gestelde partij kan worden beschouwd, zullen de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
In de hoofdzaak
3.5.
De zaak wordt naar de rol verwezen voor beraad. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4.De beslissing

Het hof:
in het incident:
beveelt de voeging van de onderhavige zaak met zaaknummer 200.228.612/01 met de bij dit hof aanhangige zaak met zaaknummer 200.231.860/01 tussen [appellanten c.s.] als appellanten en de Staat als geïntimeerde.
compenseert de proceskosten van het incident tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
in de hoofdzaak:
verwijst de zaak naar de rol van 17 juli 2018 voor beraad;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, O.G.H. Milar en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 3 juli 2018.
griffier rolraadsheer