ECLI:NL:GHSHE:2018:2197

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
18 mei 2018
Publicatiedatum
18 mei 2018
Zaaknummer
17/00642
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake de aftrekbaarheid van rentelasten en kwalificatie van schulden in het kader van de Wet inkomstenbelasting 2001

In deze zaak heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 18 mei 2018 uitspraak gedaan in hoger beroep over de aftrekbaarheid van rentelasten en de kwalificatie van schulden van belanghebbende in het kader van de Wet inkomstenbelasting 2001. De belanghebbende, die in het verleden een varkenshouderij heeft gedreven, had een lening afgesloten ter aflossing van schulden aan de Rabobank. De vraag was of deze lening als eigenwoningschuld kon worden gekwalificeerd en of de rentelasten in mindering konden worden gebracht op het belastbare inkomen uit werk en woning.

De belanghebbende stelde dat de lening gedeeltelijk betrekking had op zijn woning en dat de rentelasten daarom aftrekbaar moesten zijn. De Inspecteur betwistte dit en stelde dat de schulden aan de Rabobank uitsluitend verband hielden met de voormalige ondernemingsactiviteiten van belanghebbende. Het Hof oordeelde dat belanghebbende niet had aangetoond dat de schulden aan de Rabobank waren aangegaan ter verwerving, onderhoud of verbetering van de woning. De lening werd daarom gekwalificeerd als een schuld in de zin van artikel 5.3, lid 3, van de Wet IB 2001, wat betekent dat de rentelasten niet aftrekbaar zijn.

Het Hof bevestigde de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, die het beroep van belanghebbende ongegrond had verklaard. De belanghebbende had geen bewijs geleverd dat de lening en de bijbehorende rentelasten in mindering konden worden gebracht op het belastbare inkomen. De uitspraak van het Hof houdt in dat de belastingaanslag en de verliesverrekeningsbeschikking in stand blijven, en dat er geen termen zijn voor vergoeding van griffierechten of proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Kenmerk: 17/00642
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
woonachtig te [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende
tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 22 augustus 2017, nummer BRE 16/4146, in het geding tussen
belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de Inspecteur,
betreffende de hierna vermelde belastingaanslag.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Met dagtekening 23 december 2015 is aan belanghebbende de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2013 opgelegd, berekend naar een verzamelinkomen van € 273.010 en een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 29.888. (hierna: de aanslag). Bij in het aanslagbiljet vervatte beschikking is een verlies uit werk en woning van € 243.122 verrekend (hierna: de verliesverrekeningsbeschikking). Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag en de verliesverrekeningsbeschikking gehandhaafd.
1.2.
Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dat beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 46. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep is van belanghebbende een griffierecht geheven van € 124. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 19 april 2018 te ‘s-Hertogenbosch.
Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de in het proces-verbaal van deze zitting vermelde personen.
1.5.
Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en kopieën van de pleitnota met bijlagen verstrekt aan het Hof en aan de wederpartij.
1.6.
Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
1.7.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2.Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting kan in hoger beroep worden uitgegaan van de volgende feiten en omstandigheden.
2.1.
Belanghebbende dreef in het verleden een varkenshouderij als onderneming (hierna: de onderneming). De onderneming is in het jaar 2013 gestaakt.
2.2.
Tot 27 juli 2000 behoorde de bij de varkenshouderij gelegen woning van belanghebbende (hierna: de woning) tot het vermogen van de onderneming. Op 27 juli 2000 zijn die woning met de bijbehorende ondergrond geheretiketteerd tot privévermogen, in verband met de wijziging van de landbouwvrijstelling op die datum.
2.3.
Tot de passiva van de onderneming behoorden schulden aan Rabobank. Voorafgaand aan de hierna vermelde (gedeeltelijke) aflossing en kwijtschelding bedroeg het totaal van deze schulden € 605.196.
2.4.
In het kader van de staking van de onderneming is het tot een sanering van schulden van belanghebbende gekomen. In het kader van die sanering heeft belanghebbende een bedrag van € 240.000 geleend van [A] B.V (hierna: de lening). Het bedrag van de lening is aangewend ter aflossing van de onder 2.3 genoemde schulden aan Rabobank. Rabobank heeft het resterende bedrag van haar vordering op belanghebbende, ten bedrage van € 365.196, kwijtgescholden.
2.5.
Tot de gedingstukken behoort een brief van Rabobank, gericht aan de gemachtigde van belanghebbende, waarin onder meer het volgende is opgenomen:
“(…)
De bank heeft in het verleden aan [belanghebbende] een financiering verstrekt. Voor zo ver mijn informatie op dit moment aangeeft, verstrekte de bank voor het laatst omstreeks juli 2007 een tweetal leningen met een totaal saldo van EUR 580.000,=.
Naast de genoemde leningen verstrekte de bank een krediet voor de normale bedrijfsexploitatie.
Als zekerheid voor deze leningen en het krediet verkreeg de bank een recht van hypotheek op alle aan ondernemer toebehorende onroerende zaken. Dit betrof eveneens de woning bij het bedrijf.
(…)”.

3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.
In geschil is het antwoord op de vraag of de rentelasten ter zake van de lening in mindering komen op het belastbare inkomen uit werk en woning, dan wel of de lening als schuld behoort tot de rendementsgrondslag zoals bedoeld in artikel 5.3, leden 1 en 3, van de Wet IB 2001.
3.2.
Belanghebbende is van mening dat de rentelasten in mindering komen op het belastbare inkomen uit werk en woning. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.
3.3.
Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.
3.4.
Belanghebbende concludeert tot vermindering van de aanslag. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4.Gronden

4.1.
Belanghebbende betoogt dat de lening een eigenwoningschuld is in de zin van artikel 3.119a, lid 2, van de Wet IB 2001. De schulden aan Rabobank hebben volgens belanghebbende gedeeltelijk betrekking op zijn woning en zijn, voor dat gedeelte, op 27 juni 2000 ten onrechte niet naar het privévermogen van belanghebbende overgebracht in het kader van de onder 2.2 bedoelde heretikettering. Belanghebbende heeft immers door het aangaan van die schulden en de gedeeltelijke aflossing daarvan voorkomen dat Rabobank zich zou verhalen op de verkoopopbrengst van zijn woning. Belanghebbende betoogt voorts dat het weigeren van renteaftrek in strijd is met doel en strekking van de wet, waaronder de bijleenregeling. Subsidiair betoogt belanghebbende dat de rentekosten aftrekbaar zijn als nagekomen bedrijfslasten.
4.2.
De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de schulden aan Rabobank in ieder geval vanaf 27 juli 2000 moeten worden gekwalificeerd als schulden gebruikt ten behoeve van de onderneming. Volgens de Inspecteur zijn die schulden niet (gedeeltelijk) aangegaan ter verwerving van de woning, althans belanghebbende heeft daarvan geen bewijs bijgebracht. De lening is niet aangegaan voor verwerving, onderhoud of verbetering van de woning. Er is volgens de Inspecteur evenmin sprake van nagekomen bedrijfslasten.
4.3.
Het Hof stelt voorop dat het aan belanghebbende is om de feiten en omstandigheden aannemelijk te maken waaruit volgt dat sprake is van een eigenwoningschuld zoals bedoeld in artikel 3.119a, lid 2, van de Wet IB 2001.
4.4.
Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de schulden aan Rabobank, althans gedeeltelijk, zijn aangegaan ter verwerving, onderhoud of verbetering van de woning. Ook de eerst ter zitting van het Hof, als bijlagen bij de pleitnota, overgelegde stukken bevatten niet een voldoende vorm van bewijs. De gemachtigde van belanghebbende heeft zelf een handgeschreven verdeling aangebracht op een leningsoverzicht van Rabobank, maar die verdeling wordt niet met bewijsstukken van Rabobank onderbouwd. Ook uit de als bijlage bij de pleitnota overgelegde brief van Rabobank volgt niet, althans onvoldoende, dat en in hoeverre de schulden aan Rabobank zijn aangegaan ter verwerving, onderhoud of verbetering van de woning. Daarom moet, overeenkomstig het standpunt van de Inspecteur, ervan worden uitgegaan dat die schulden zijn aangegaan ter financiering van de voormalige ondernemingsactiviteiten van belanghebbende. Reeds daarom valt niet in te zien waarom de schulden aan Rabobank op 27 juni 2000, gedeeltelijk, zouden moeten worden geheretiketteerd tot belanghebbendes privévermogen.
4.5.
De, in het kader van de onder 2.4 genoemde schuldsanering, aangegane lening heeft ertoe geleid dat belanghebbende is bevrijd van de schulden aan Rabobank. De lening is aangegaan ter gedeeltelijke aflossing en, voor het overige, kwijting van die schulden. De lening is niet aangegaan ter verwerving van de woning, zoals belanghebbende betoogt. Belanghebbende was reeds eigenaar van de woning en is dat ook ten tijde van en na de hier bedoelde schuldsanering gebleven. Dat die schuldsanering onder meer tot gevolg heeft gehad dat Rabobank zich niet, door middel van een executoriale verkoop, heeft verhaald op de verkoopopbrengst van de woning, betekent niet dat de lening, die is aangegaan ter aflossing en kwijting van belanghebbendes voormalige ondernemingsschulden, is aangegaan ter verwerving van de woning.
4.6.
Het gevolg van het voorgaande is, behoudens belanghebbendes hierna te behandelen subsidiaire stellingname, dat de lening behoort tot de schulden in de zin van artikel 5.3, lid 3, van de Wet IB 2001 (“Box III”). Dat gevolg is niet in strijd met doel en strekking van de Wet IB 2001, waaronder de bijleenregeling.
4.7.
Subsidiair stelt belanghebbende dat de rentelasten ter zake van de lening als nagekomen bedrijfslasten moeten worden aangemerkt. Het Hof stelt voorop dat de lening is aangegaan ter aflossing en kwijting van belanghebbendes voormalige ondernemingsschulden. Gesteld noch gebleken is dat ten tijde van de staking van de onderneming onzekerheid bestond over de hoogte en de wijze van afwikkeling van de lening. De lening is daarom, overeenkomstig de hoofdregel voor bestanddelen van het ondernemingsvermogen ten tijde van de staking van een onderneming, bij staking van de onderneming overgegaan naar het privévermogen van belanghebbende. Dat betekent dat de rentelasten ter zake van de lening niet als nagekomen bedrijfslasten worden gekwalificeerd.
Slotsom
4.8.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is. Het Hof zal de uitspraak van de Rechtbank bevestigen.
Ten aanzien van het griffierecht
4.9.
Aangezien de uitspraak van de Rechtbank in stand blijft, acht het Hof geen termen aanwezig de Inspecteur te gelasten aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht te vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.10.
Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5.Beslissing

Het Hof
bevestigtde uitspraak van de Rechtbank.
Aldus gedaan op 18 mei 2018 door P.C. van der Vegt, voorzitter, V.M. van Daalen-Mannaerts en T.A. de Hek, in tegenwoordigheid van J.W.J. van der Heijden, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.
Het aanwenden van een rechtsmiddel:
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH
’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
een dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.