Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellante] ,wonende te [woonplaats] ,
[appellant] ,wonende te [woonplaats] ,
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/251185 HA ZA 12-730)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep van 2 juni 2015;
- de memorie van grieven met eiswijziging;
- de memorie van antwoord in principaal appel tevens houdende memorie van grieven in incidenteel appel met producties;
- de memorie van antwoord in incidenteel appel;
- de akte d.d. 2 augustus 2016 met producties van Rabobank;
- de antwoordakte tevens akte houdende overlegging producties d.d. 30 augustus 2016 van [appellanten c.s.] ;
- het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd en waarbij [appellanten c.s.] bij akte de producties 63 tot en met 70 in het geding hebben gebracht en Rabobank bij akte de producties 19 tot en met 26 in het geding heeft gebracht.
3.De beoordeling
- een lening van € 2.850.00,00 die op 12 september 2005 bij Rabobank zelf was aangegaan tegen een 3-maands euriborrente met 0,8% opslag in verband met het project [project 1] te [plaats 1] (leningnummer [leningnummer 1] ) met een aflossing van € 11.875,00 per maand vanaf 30 augustus 2006;
- een lening van € 2.400.000,00 die op 6 juli 2006 bij FGH-bank was aangegaan tegen een 1-maand euriborrente met 0,9% opslag in verband met een project te [plaats 2] met een aflossing van € 5000,00 per maand vanaf 1 september 2006;
- een overbruggingskrediet van € 535.000,00 dat op 13 februari 2008 bij Rabobank zelf was aangegaan tegen een variabele rente voor twee jaar, in verband met het project [project 2] te [plaats 1] (leningnummmer [leningnummer 2] ), aflossingsvrij.
“(…) in de aflossing van de leningen en de afloop van de derivaten zit een mismatch. De stand per 01-10-2010 van de beide derivaten eenieder was € 2.275.000,= waarbij het derivaat per kwartaal terugloopt met € 25.000,=. Dit houdt in dat de klant nu voor € 143.750,= een overdekking (overhedge) heeft. (…)
“(…) Hoewel de klant bevestigd heeft de risico’s te kennen en daarop te zijn gewezen sluit ik niet uit dat de werking van de producten voor de klant niet begrijpelijk was. Ze hebben aangegeven weinig ervaring te hebben en weinig kennis van de producten. (…)
“(…) Zelfs als, gelet op de ervaring die zij ( [appellante] , hof) eerder had ten aanzien van het derivaat, de conclusie getrokken kan worden dat ze de risico’s kende, sluit ik niet uit dat de klant uiteindelijk de werking van het product onvoldoende doorgronde. Het betreft immers wat betreft de werking een lastig te doorgronden materie. (…)”.
- de lening van € 2.850.00,00 die op 12 september 2005 bij Rabobank zelf was aangegaan tegen een 3-maands euriborrente met 0,8% opslag in verband met het project [project 1] te [plaats 1] (leningnummer [leningnummer 1] ) met een aflossing van € 11.875,00 per maand vanaf 30 augustus 2006;
- de lening van € 2.400.000,00 die op 6 juli 2006 bij FGH-bank was aangegaan tegen een 1-maand euriborrente met 0,9% opslag in verband met het project te [plaats 2] met een aflossing van € 5000,00 per maand vabaf 1 september 2006;
- het overbruggingskrediet van € 535.000,00 die op 13 februari 2008 bij Rabobank zelf was aangegaan tegen een variabele rente voor twee jaar, in verband met het project [project 2] te [plaats 1] (leningnummer [leningnummer 2] ), aflossingsvrij.