Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
4.Gronden
5.Beslissing
verklaarthet hoger beroep ongegrond, en
bevestigtde uitspraak van de Rechtbank.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Belanghebbende verkocht in 2011 een aanmerkelijk belang in een vennootschap en diende hierover aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) in. De Inspecteur legde een aanslag op die belanghebbende betwistte. Na een ongegrond verklaard beroep bij de rechtbank, stelde belanghebbende hoger beroep in bij het hof.
Het geschil betrof de vraag of in de aangifte over 2013 een negatief vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang in aanmerking kon worden genomen. Belanghebbende stelde dat het in 2011 aangegeven vervreemdingsvoordeel te hoog was en dat correctie in 2013 mogelijk was. Het hof oordeelde dat het vervreemdingsvoordeel wordt geacht te zijn genoten op het moment van de vervreemding in 2011 en dat geen sprake was van een nieuwe vervreemding of aanpassing in 2013.
Daarom kon geen negatief vervreemdingsvoordeel in 2013 worden meegenomen. Het hof bevestigde dat de Inspecteur de aanslag correct had vastgesteld en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Tevens oordeelde het hof dat de behandeling binnen een redelijke termijn had plaatsgevonden, waardoor een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding werd afgewezen.
Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de aanslag zonder toekenning van een negatief vervreemdingsvoordeel.