Uitspraak
16.De beschikking van 31 maart 2016
17.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
18.De verdere beoordeling
€ 5.389,50
€ 2.157,34
€ 86.963,22
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze zaak staat de afwikkeling van het huwelijkse vermogen centraal van partijen die getrouwd waren onder huwelijkse voorwaarden met een periodiek verrekenbeding dat niet is uitgevoerd. Het geschil betreft vooral of het vermogen in een stichting, waarin de vrouw haar medische werkzaamheden declareert, moet worden betrokken bij de verrekening.
Het hof heeft een deskundigenonderzoek laten verrichten naar de waarde van de stichting en de vennootschappen van partijen. Uit het rapport blijkt dat het vermogen in de stichting toerekenbaar is aan de vrouw en dat verrekening daarvan gerechtvaardigd is, met inachtneming van een belastinglatentie van 25%. De vrouw stelde dat de stichting geen winst mag uitkeren en dat het bestuur beslist over het vermogen, maar het hof oordeelde dat de vrouw feitelijk beslissingsbevoegd is en dat de constructie met stichting en vennootschappen slechts administratief is.
De waarde van het vermogen in de stichting wordt vastgesteld op €360.105,- minus 25% belastinglatentie, resulterend in €270.078,75. Ook de vennootschappen van partijen worden gewaardeerd met inachtneming van belastinglatentie. Uiteindelijk wordt bepaald dat de vrouw aan de man een bedrag van €188.321,66 moet betalen, met wettelijke rente vanaf 6 juli 2007. De kosten van het deskundigenonderzoek worden gelijk verdeeld en de overige kosten van hoger beroep worden gecompenseerd.
Uitkomst: De vrouw moet aan de man €188.321,66 betalen met wettelijke rente vanaf 6 juli 2007 wegens verrekening van het huwelijksvermogen inclusief het vermogen in de stichting.