Partijen zijn op 24 mei 2014 te Venlo gehuwd en hebben op 9 januari 2015 echtscheiding aangevraagd. De rechtbank Limburg heeft de echtscheiding uitgesproken en het huwelijksvermogensregime geregeld op basis van Turks recht. De man stelde vier grieven aan tegen de verdeling en het toepasselijke recht.
Het hof oordeelt dat het Turks staatsburgerschap van de man pas op 30 mei 2014 is beëindigd, na de huwelijksvoltrekking, waardoor geen gemeenschappelijke nationaliteit bestond. Partijen hebben echter geen duurzaam eerste huwelijksdomicilie in Turkije gevestigd, omdat zij na circa tweeënhalve maand uit elkaar gingen. Het hof bepaalt dat het huwelijksvermogensregime beheerst wordt door Nederlands recht, het recht waarmee het regime het nauwst verbonden is.
De man vordert onder meer de verdeling van gouden sieraden en gezamenlijke schulden. Het hof oordeelt dat de sieraden niet meer tot de gemeenschap behoren omdat zij aan de ouders van de man zijn meegegeven. De studieschuld van de man en de hoofdschuld aan de Belastingdienst worden ieder voor de helft gedragen, met regresrecht voor de man indien hij meer dan de helft heeft voldaan. De schuld aan de feestzaal wordt niet toegewezen aan de man wegens onvoldoende bewijs.
Het hof vernietigt de bestreden beschikking voor zover deze de draagplicht van de man voor genoemde schulden exclusief toekent en stelt de draagplicht gelijkelijk vast. De overige onderdelen van de beschikking worden bekrachtigd. De kosten van het hoger beroep worden gecompenseerd.