Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[Beheer] Beheer B.V.,
[Registergoederen 1] Registergoederen B.V.,
[Registergoederen 2] Registergoederen B.V.,
Bakkerij [Bakkerij] B.V.,
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknr./rolnr. C/03/222964 / KG ZA 16-329)
2.Het geding in hoger beroep
3.De gronden van het hoger beroep
4.De beoordeling
Hierbij bevestigen wij gaarne de met U voorwaardelijk gemaakte afspraken (...). Die afspraken zijn voorwaardelijk namelijk onder de voorwaarde dat wij daarover ook volledige
bereiken.
“ter verduidelijking wordt hierbij vermeld dat deze verplichting geen betrekking heeft op diepgevroren gebak en “Kempenaar” half afgebakken klein brood.”
zodat de tussen ons in genoemde kwaliteit gemaakte afspraken thans onvoorwaardelijk gelden.”
(…)”.
Verder spraken wij af dat de status quo met betrekking tot de broodverkoop gecontinueerd
[de vennootschap] gaat na verbouwing zelf ook brood verkopen (volledig assortiment). Een dergelijke assortimentsbeperking is niet meer van deze tijd en wij gaan onze klanten een volledig assortiment bieden.” Daaruit zou, naar voorlopig oordeel, een opzegging kunnen worden afgeleid, ware het niet dat die zin wordt gevolgd door de zin: “
Indien dat onbespreekbaar zou zijn, haken we af voor de uitbreiding op de bestaande locatie.”. Daarmee is geen eenduidige opzegging gedaan. Ook het e-mailbericht van 15 september 2015 houdt in feite niet meer in dan dat over een verbod tot het voeren van het voor [de vennootschap] gebruikelijke brood- en gebakassortiment niet te onderhandelen valt, maar die mededeling wordt weer gevolgd met de mededeling dat het spijtig is als geen overeenstemming wordt bereikt, omdat [de vennootschap] dan alternatieven moet gaan zoeken. Ook met die e-mail is dus geen duidelijke en tijdige opzegging gedaan dat de Bakkerij op haar beurt in staat stelde zich tijdig op de gewijzigde situatie in te stellen. Gesteld noch gebleken is dat [de vennootschap] een schadevergoeding heeft aangeboden aan de Bakkerij. Kort gezegd moet het er in het kader van dit kort geding in feite voor worden gehouden dat [de vennootschap] alleen maar heeft gedreigd te vertrekken en zonder behoorlijke motivering zich op het standpunt heeft gesteld dat de brood- en banketovereenkomst niet meer door haar hoefde te worden nagekomen, waarna zij na een verbouwing ook brood en banket bleek te verkopen. Het is dan ook voorshands niet aannemelijk geworden dat [de vennootschap] voldoende rekening heeft gehouden met de belangen van de Bakkerij.
1. (…) de verkoop van brood en/of gebak en/of nat gebak en/of (al dan niet Limburgse) vlaaien en het op voorraad hebben daarvan (…)”.
(…) de verkoop van brood en/of gebak en/of nat gebak en/of (al dan niet Limburgse) vlaaien en het op voorraad hebben daarvan (…)”.
“ter verduidelijking wordt hierbij vermeld dat deze verplichting geen betrekking heeft op diepgevroren gebak en “Kempenaar” half afgebakken klein brood”